22 jan 2021

Familiekroniek - De Landarbeidersbond

Het is een vierkant tegeltje met op de voorkant in reliëf een zaaier, aan zijn voeten klompen, op zijn hoofd een hoed. Bovenaan staan de jaartallen 1900 en 1950, onderaan Alg. Ned. Landarbeidersbond. Op de achterkant valt te lezen dat het om een jubileum gaat en dat de tegels zijn aangeboden aan de werknemers. De tegel is gemaakt in de tegelfabriek Westraven in Utrecht. 
Het tegeltje hing in het huis van mijn pake en beppe in Marssum, maar mijn pake was zuivelarbeider en geen landarbeider. Welk gouden jubileum werd er in 1950 gevierd? 

Landarbeiders
Het boek ’Veertig jaren Nederlandse Landarbeiders Bond’ brengt opheldering. Op 13 mei 1900 werd de Bond van Zuivelfabrieksarbeiders opgericht en deze bond vormde de grondslag voor de Nederlandse Bond van Arbeiders in het Landbouw-, Tuinbouw- en Zuivelbedrijf, kortweg de Nederlandse Landarbeidersbond, want landarbeiders is de veramelnaam voor alle arbeiders in de agrarische bedrijven, zelfs van zuivelbewerkers en veenarbeiders.
Saillant detail: in de inleiding van het boek noemt schrijver Jan Hilgenga de datum 14 mei 1940 als de dag “waarop wij dit gedenkboek aan de openbaarheid hopen prijs te geven.” Op 14 mei wordt Rotterdam gebombardeerd door de Duitsers en capituleert Nederland. 

Zuivelbewerkers
Mijn pake Johannes Nieuwenhuis werd geboren op 8 of 9 mei 1902 in Franeker. Zijn vader Enne Nieuwenhuis was binnenvisser. Toen hij oud genoeg was werd Johannes knecht bij een boer en in 1921 ging hij werken bij zuivelcoöperatie De Eendracht in Marssum. Hij werkte er eerst een jaar als volontair om het vak te leren. In oktober 1922 werd hij lid van de vakgroep Zuivelbewerkers van de Nederlandse Bond van Arbeiders in het Landbouw, Tuinbouw- en Zuivelbedrijf. Op zijn lidmaatschapskaart staat Bondsno. 395. De achterkant zit volgeplakt met contributiezegeltjes. De contributie is 50 cent per week, maar op de zegeltjes staat 49 of 54.

De Bond van Zuivelarbeiders
De Bond van Zuivelfabrieksarbeiders wordt op 13 mei 1900 opgericht in Leeuwarden, in café Tolsma op het Groot Schavernek. Initiatiefnemer is Marten Kalsbeek, werkzaam op de zuivelfabriek van Warga. De bond stelt zich ten doel “langs wettige weg zooveel mogelijk verbetering in de toestand van de zuivelfabrieksarbeiders te brengen. Daaronder wordt verstaan een betere regeling van loon, arbeidsduur en vrije dagen.”
In 1904 is al ruim zestig procent van de Friese zuivelarbeiders georganiseerd in de bond, tegen vijftien procent landelijk.

De Nieuwe Landarbeidersbond
Voor in 1907 in Leeuwarden de Nieuwe Landarbeidersbond wordt opgericht, zijn er andere pogingen om landarbeiders te verenigen. In de noordelijke Friese gemeente Het Bildt bestaat tussen 1889 en 1892 Broedertrouw. Daarna wordt de Bond van Landarbeiders opgericht, die verbeteringen via politieke acties wil bereiken en niet via wettelijke veranderingen. Marten Kalsbeek noemt die bond daarom  'anarchistisch'. De Nieuwe Landarbeidersbond is wel sociaal-democratisch, dus vooral gericht op veranderingen via de wettelijke weg.
In 1909 fuseren de landarbeidersbond en de zuivelarbeidersbond. De eerste gemeenschappelijke vergadering vindt plaats in de zaal van Excelsior in Leeuwarden. De nieuwe organisatie krijgt als naam Nederlandse Bond van Arbeiders in het Landbouw- en Zuivelbedrijf. In 1912 zal Tuinbouw worden toegevoegd. De gefuseerde bond telt 1.087 leden, 767 uit de zuivel en 310 landarbeiders.

Vrije dag
Wat heeft de bond bereikt? In 1901 verdienen gewone werklieden in de zuivelfabriek in het Friese Deinum 7,75 gulden per week. In 1939 is dat ongeveer 18 gulden.
Wanneer de vakbond wordt opgericht werken zuivelarbeiders meestal zeven dagen per week. In de zomer tijd werken ze soms 100 uur per week. In 1902 zijn er al twaalf zuivelfabrieken die een vrije dag geven. En de arbeidstijd is in twee jaar gemiddeld met een uur per dag verkort. In 1939 geldt een werkweek van gemiddeld 48 uur en krijgen zuivelarbeiders één vrije dag in de zeven dagen. In 1901 bestaat er geen pensionering, in 1939 is er voor zuivelarbeiders een ouderdomspensioen en een weduwenpensioen.

Personeel De Eendracht jaren 50

Melkcontroleur
De bond voert niet alleen actie, maar verzorgt ook vakonderwijs. In de winter van 1923-1924 volgt mijn pake de cursus melkcontroleur en krijgt in april 1924 het diploma. Als melkcontroleur gaat hij bij boeren langs en neemt monsters van de melk, onder meer om het vetgehalte te bepalen.
Na de oorlog wordt mijn pake eerste kaasmaker. In 1960 fuseert De Eendracht met de zuivelfabriek van Dronrijp. Zes jaar later sluit de fabriek haar deuren, vlak voordat mijn pake in 1967 65 jaar wordt en met pensioen gaat. (Op de foto hierboven, gemaakt in de jaren vijftig, zit mijn pake op de eerste rij, tweede van rechts.)

Voedingsbond NVV
In 1948 verandert de naam van de Nederlandse Landarbeiders Bond in Algemene Nederlandse Landarbeidersbond en, twee jaar na het gouden jubileum in Algemene Nederlandse Agrarische Bedrijfsbond. Die bond gaat in 1970 op in de Agrarische en Voedingsbedrijfsbond (Voedingsbond NVV). Verdere vakbondsgeschiedenis laat ik buiten beschouwing.

12 nov 2020

Familiekroniek - Werken in Werden

Al jaren heb ik een envelop met foto’s in mijn bezit. Het zijn gefotografeerde kopieën van oude foto’s. Van de helft heb ik geen idee wie er opstaan. Een ervan toont een jongeman met blond haar, brede kaken, lichte ogen, een bescheiden snor. Wie is deze knappe man?

Duitsland
Als ik de gescande foto naar mijn tante Gerie in Zuid-Afrika mail, wordt het raadsel van de envelop met foto’s opgelost. Toen mijn beppe in 1993 ernstig ziek was is haar zoon, mijn oom Enne die in 1963 met zijn gezin naar Zuid-Afrika emigreerde, nog één keer bij haar op bezoek geweest. Hij heeft toen een fotoalbum mee naar huis genomen, maar de foto’s laten kopieëren en die naar mijn moeder gestuurd. Mijn tante Gerie mailt me een foto van de pagina uit het fotoalbum waarop de knappe jongeman staat. Eronder staat wie hij is: Reinder van der Hogt, mijn overgrootvader. Ik kan ook zien waar de foto is gemaakt: in fotostudio Wwe Aug. Wippermann in Werden, Duitsland.

Emigratie
Op de website AlleFriezen had ik al gevonden dat boerenknecht Reinder van der Hogt op 14 maart 1900 van Menaldumadeel naar Duitsland is geëmigreerd. Dankzij het fotoalbum weet ik nu dat hij in Werden terecht is gekomen, toen een zelfstandige stad aan de zuidkant van de Ruhr, tegenwoordig een stadsdeel van Essen. Reinder is negentien jaar als hij de grens oversteekt.
Rond 1900 is er in Duitsland, vooral in het Ruhrgebied, een grote behoefte aan arbeidskrachten. Veel ongehuwde boerenknechten uit Friesland en andere provincies trekken erheen om wat geld te verdienen.

Fabriek
Hoewel mijn beppe Mine Nieuwenhuis-van der Hogt vaak vertelde over vroeger, heb ik nooit verhalen gehoord over dit buitenlandse avontuur van haar vader. Maar in ‘Herinneringen van een Friese landarbeider’ van Imke Klaver vind ik een aantal passages over diens verblijf in Duitsland. Aan het eind van de zomer van 1899 stapt Klaver “met een stuk of wat andere jonge knapen” “met onze blauwe zakken met spullen op de schouder” in Heerenveen op de trein en reist naar Düsseldorf. Daar moeten ze eerst de stad in om een slaapplaats zoeken. Reinder, die in Beetgum woont, zal zijn treinreis in Leeuwarden zijn begonnen, misschien ook met een stel vrienden, misschien ook met een blauwe zak met spullen op de schouder.
Klaver vindt werk in een ijzerfabriek en later bij de Wegenbau. Het bevalt hem wel en het jaar daarop reist hij met zijn makkers opnieuw naar Düsseldorf. Hij blijft er acht maanden. “Ik had natuurlijk een mooi spaarpotje voor mijn moeder vergaard.”
Het antwoord op de vraag waar Reinder heeft gewerkt komt ook uit Zuid-Afrika. Nicht Esther schrijft me dat haar vader Enne haar heeft verteld dat zijn pake in een steenkoolmijn heeft gewerkt.

Antje de Boer
Wanneer Reinder terugkomt weet ik niet, waarschijnlijk net als Imke Klaver voordat het winter wordt. Hij wordt niet nogmaals genoemd als emigrant, dus ik denk dat het bij die ene keer gebleven.
Op 22 mei 1902 trouwt hij in Menaldumadeel met schippersdochter Antje de Boer (rechts van hem op de pagina uit het fotoalbum). De haarrol op haar hoofd is op dat moment in de mode. Reinder en Antje gaan wonen in Marssum. Reinder zal zijn hele werkzame leven boerenarbeider blijven, onder meer bij boer Tolsma. Hier schreef ik ook over deze overgrootvader.
Hieronder een scan van Antjes foto uit de envelop.

Antje de Boer


22 aug 2020

Familiekroniek – Een schoenmakersknecht uit Blomberg

7 augustus 2020 - We zijn in Blomberg, Kreis Lippe, deelstaat Noordrijn-Westfalen. Halverwege de achttiende eeuw heeft een van mijn voorvaderen het besluit genomen deze stad te verlaten en zijn heil te zoeken in Amsterdam. Reden genoeg om er een kijkje te nemen.

Blomberg

Angelierstraat
Voorvader Hermann Christoffel Botterbrod is in 1746 geboren in Blomberg. In 1779 trouwt hij met Johanna Lindeman. Hij is dan schoenmakersknecht en woont in de Angelierstraat in Amsterdam. In 1785 krijgen ze een dochter die ze Anna Dorothea noemen, naar de moeder van Hermann. Anna Dorothea is de grootmoeder van Gaatske Stoffels Bloemsma, die weer de grootmoeder is van mijn pake Johannes Nieuwenhuis.
Wanneer Hermann naar Amsterdam is getrokken, weet ik niet. Het is ook heel goed mogelijk dat zijn ouders Johann Botterbrodt en Anne Dorothee Suerlander de stap hebben genomen. Beide namen worden genoemd als getuigen bij de doop van een kind van Hermann en Johanna.

Ameland
Johanna Lindeman sterft in 1785, misschien in het kraambed. Hermann trouwt opnieuw in 1798 met Catharina Lievens, ofwel Trijntje Lieuwes Reijsma, die is geboren in Hollum op Ameland. Hij trekt met Trijntje naar haar geboorteplaats waar hij in juni 1815 overlijdt.
Zijn dochter Anna Dorothea trouwt in 1806 met Eijbert Bloemsma uit Metslawier, een dorp dat ten noordoosten van Dokkum ligt.

Langer Steinweg
De Botterbrodten wonen al generaties lang in Blomberg. Op internet vind ik een stamboom waar als eerste Johann Botterbrodt wordt genoemd, geboren rond 1600. Johann was een Krämer (handelaar) die woonde op de Langer Steinweg nummer 7.
De kerk en het kleine marktplein van Blomberg liggen op het hoogste punt van een heuvel, de Langer Steinweg daalt vanaf de markt geleidelijk af. Veel huizen in de straat zien er oud uit, het zijn vakwerkhuizen met witgepleisterde muren. Vaak staan de namen van het echtpaar dat het heeft laten bouwen erop, als wilden ze pronken met hun rijkdom. Nummer 7 is helaas nieuw, het is een groot pand waarin zich een drogisterij bevindt en twee kledingzaken. (Natuurlijk weet ik dat een huisnummer uit 1600 niet hetzelfde is als een huisnummer in 2020, maar het is leuk te doen alsof het wel zo is.)

Langer Steinweg

Schoenmakers
Bij de VVV vind ik een foldertje over Schuhmacherhandwerk in Blomberg. Ik vertel de mevrouw achter de balie over mijn voorvader die schoenmakersknecht was en ze vertelt dat er een schoenmakersmuseum in Blomberg is. Helaas vandaag gesloten. We lezen dat er rond 1800 wel honderd schoenmakers in Blomberg waren. De Kuhstraβe, waar ook het museum zit, herbergde er alleen al veertien. Geen wonder dat voorvaders Johann en Hermann de moordende concurrentie achter zich lieten om het in Amsterdam te proberen. Ik heb overigens geen idee welk beroep ze uitoefenden in Amsterdam.

Nelkenstadt
Ik krijg nog een paar foldertjes van de VVV. Wie Blomberg zur Nelkenstadt wurde. Ja, de stad ligt in Kreiz Lippe en we weten wat voor bloem onze prins Bernhard Von Lippe-Biesterfeld altijd in zijn knoopsgat droeg. Nelken, dat zijn anjers. De anjers op de folders zijn rood, die van Bernhard waren altijd wit.

10 jul 2020

Familiekroniek - Gaatske Stoffels Bloemsma (1831-1922)

Op de website van Minnertsga Vroeger vind ik een foto van mijn betovergrootmoeder Gaatske Stoffels Bloemsma. Dat is bijzonder! Om haar te plaatsen: mijn pake van moederszijde heet Johannes Nieuwenhuis. Hij is de jongste zoon van Enne Nieuwenhuis en Aaltje Schotanus. Aaltje Schotanus is de dochter van Johannes Schotanus en Gaatske Bloemsma.

Zigeunerin
Mijn beppe Mine van der Hogt, de vrouw van pake Johannes, heeft me ooit verteld dat een van mijn betovergrootmoeders eruit zag als een zigeunerin. Ik denk dat ze Gaatske Bloemsma bedoelde. Op deze foto ziet ze er wel heel donker uit, maar dat komt ook omdat het een kopie van een foto betreft.
Gaatske is geboren in 1831 in Vrouwenparochie, een dorp in Noord-Friesland. Haar ouders zijn Aukje Wybes de Vries en Stoffel Eibers Bloemsma. Haar grootouders van moederszijde zijn Wybe Salomons de Vries en Gaatske Aukes. Wybe Salomons heeft een broer die David heet. Wellicht zijn Wybe en David van Joodse afkomst, maar daar heb ik geen bewijzen voor kunnen vinden.

 

Gaatske Stoffels Bloemsma

Blomberg
Gaatskes grootouders van vaderszijde zijn Egbert Cornelis Bloemsma en Anna Dorothea Boterbrood. Zo’n mooie achternaam vraagt om nader onderzoek. Gelukkig is de Boterbroodstamboom al in kaart gebracht en ontdek ik dat Gaatskes overgrootvader Herman Christoffel Boterbrood afkomstig is uit de Duitse stad Blomberg. Het geslacht Boterbrood of Botterbrodt woont al sinds generaties in Blomberg.

Gevonden in de Nieuwe Vaart
In 1856 trouwt Gaatske, die dan dienstmeid is, met weduwnaar Johannes Jacobus Schotanus uit Minnertsga. Hij is 31 jaar, kleermaker en heeft vier kinderen. Samen krijgen ze zes kinderen, waarvan er één jong sterft. Op een dag in 1867 komt Johannes niet thuis. In onze familie gaat het verhaal dat hij is vermoord. Het is natuurlijk mogelijk dat hij kleding heeft bezorgd in Vrouwenparochie of Stiens en op de terugweg is beroofd en vermoord. Maar hij kan ook zijn uitgegleden, in de vaart gevallen en verdronken. Het familieverhaal vertelt zelfs dat hij maandenlang vermist is geweest en dat zijn lijk pas werd gevonden toen het ijs in de sloten en vaarten was gesmolten. Dat verhaal klopt in ieder geval niet, want zijn lijk wordt gevonden op 26 september 1867. In ‘den Nieuwen Vaart in de Westhoek onder Sint-Jacobiparochie’, zoals de overlijdensakte stelt. Johannes is 42 jaar als hij sterft, Gaatske is 36 jaar en zwanger. Op 27 januari 1868 krijgt ze een dochter die ze Johanna noemt. 

Vissersschuit
Gaatskes dochter Aaltje Schotanus, mijn overgrootmoeder, raakt in 1883 zwanger van visser Enne Nieuwenhuis. Ze krijgt op 29 januari 1884 in Minnertsga een dochter. Haar halfzus Jetske doet aangifte. Op 17 mei 1885 trouwt Aaltje met Enne. De familie Schotanus is niet blij met dit huwelijk. Aaltje is gereformeerd, Enne Nieuwenhuis is niet kerkelijk.
Aaltje trekt in bij Enne op zijn vissersschuit. Ze krijgen nog zeven dochters en twee zonen. Mijn pake Johannes is de jongste. De armoede is groot. De familie Schotanus heeft zich niet helemaal afgekeerd van Aaltje en Enne, soms brengt een van hen eten naar de vissersschuit als die ligt vastgevroren in een vaart.

Johannes Nieuwenhuis

Krachtige vrouw
Aaltje Schotanus overlijdt op 3 februari 1922 in Marssum. Twintig dagen later sterft Gaatske Bloemsma in Groningen, 90 jaar oud. Ik vermoed dat ze bij haar jongste dochter Johanna woont die met een Groninger is getrouwd.
Ik stelde me Gaatske Bloemsma altijd voor als een vrouw aan wie was te zien dat ze een zwaar leven heeft gehad. Maar als ik naar de foto kijk zie ik een krachtige vrouw die weliswaar het nodige heeft meegemaakt, maar die zich niet uit het veld laat slaan.
Nu hoop ik dat er nog eens een foto opduikt van mijn overgrootmoeder Aaltje Schotanus. Op de website Minnertsga Vroeger vind ik wel een foto van Aaltjes twee jaar oudere zus Aukje Schotanus met haar echtgenoot Dirk Hannema en hun nakomelingen. (Excuses, ik heb de nakomelingen eraf gesneden).


Aukje Schotanus




11 jun 2020

Familiekroniek - Hilverda

Ik heb me al in zoveel stamboomreeksen verdiept dat het nu echt tijd wordt naspeuringen te verrichten naar mijn eigen achternaam: Hilverda. Ook hier is al het nodige voorwerk verricht, bijvoorbeeld door Henk Hilverda die de stamboom van de Hilverda’s in kaart heeft gebracht en door de Studiegroep Oud Staveren.
Mijn vader heette Klaas Hilverda. Bij zijn geboorte kreeg hij de naam Sybren, maar omdat tien dagen later zijn vader Klaas overleed, kreeg mijn vader de naam van zijn vader. De reden van de naamswisseling was tragisch, maar historisch gezien is het wel mooi: de naam Klaas of Claas hoort al eeuwen bij onze Hilverda-tak. Op de foto hieronder, gemaakt in 1924, staat mijn grootvader Klaas Hilverda in het midden van de achterste rij. Zittend achter het tafeltje, met bolhoed: mijn overgrootvader Rients Hilverda.

gezin Hilverda 1924

Hilwarda
In 1811 neemt Jouke Clases Hilwarda de naam Hilwarda aan, ook voor zijn zoon Klaas Joukes. Ja, u leest het goed: Hilwarda. Wat een prachtige naam! En wat jammer dat die naam langzamerhand is verbasterd via Hilwerda naar Hilverda. Op het diploma van de landbouwschool van mijn zo jong overleden grootvader Klaas Hilverda staat de achternaam gespeld als Hilwerda.


Naamaanneming Hilwarda

‘Al te geel’
Jouke Clases Hilwarda is geboren in 1762 in Stavoren. Hij is praamschuiver, bakker, stadsmajoor en havenmeester van Stavoren. Een stadsmajoor had allerlei stadsdiensten zoals de politie en de brandweer onder zich.
Als de burgers zich in 1797 moeten bewapenen, is Jouke dit wel verplicht, maar hij wordt niet geschikt geacht. Hij is ‘al te geel. Door dien oneg. niet toevertrouwt.’ Een jaar daarvoor heeft Pieter Rommerts hem vervangen als stadsmajoor en havenmeester. Wat zou ‘al te geel’ zijn? Heeft hij geelzucht? Waarschijnlijk heeft de kleur te maken met zijn politieke voorkeur. Het zijn de patriotten die de burgermilities opzetten. Wie prinsgezind is toont dat met gele linten.
Jouke sterft in 1824 in Workum.

’t Vergulde Hoofd
De vader van Jouke Clases Hilwarda heet Claas Joukes Hilwarda. Hij is geboren ca. 1715 in Poppingawier. Ook Claas is stadsmajoor te Stavoren en daarnaast hospes in ’t Vergulde Hoofd. ’t Vergulde Hoofd was de stadsherberg van Stavoren en stond ten zuiden van het stadhuis. De stadsherberg was in eigendom van het stadsbestuur. Hier konden gasten van de stadsregering en andere bezoekers logeren
Claas trouwt drie keer. Zijn hierboven beschreven zoon Jouke is het achtste kind uit zijn derde huwelijk, de laatste van in totaal zestien kinderen. 

Stadhuis Stavoren

Wagenmaker
We springen vooruit in de tijd en komen uit bij zoon Klaas van de al te gele Jouke. Deze Klaas Hilwarda is geboren in 1788 in Stavoren. Hij is bakker, trouwt met Janke Abma uit Workum en verhuist naar dit stadje. Ze krijgen in 1818 een zoon die ze Jouke noemen. Jouke wordt wagenmaker. Hij trouwt met Trijntje Bantema uit Dronrijp en vestigt zich daar als wagenmaker. Een van de kinderen van Jouke en Trijntje is Rients Hilwerda, mijn overgrootvader. Rients wordt gardenier en als hij met de weduwe Sjoukje Feikema trouwt, die op een boerderij in Dronrijp woont, wordt hij landbouwer. Hun jongste zoon is mijn grootvader Klaas Hilwerda.

Frij faam
Wanneer we een sprong teruggaan in de tijd komen we uit bij Jan Jans Hilverda, geboren in 1599 en overleden te Minnertsga in 1665. In de kerk van Minnertsga ligt een grafsteen voor Jan Jans, zijn vrouw Hiltje Haarda en zijn broer die na zijn dood met Hiltje trouwde. Er staan twee wapens op de grafsteen. Beide met de halve Friese adelaar en met dorsvlegels. Op de linker nog drie klaverbladen en op de rechter een bundel korenaren. Passende symbolen voor landbouwers.
Op de website Minnertsga Vroeger staat een artikel over deze grafsteen en over de boerderij Haarda waarop Hiltje ‘frij faam’ was, vrije vrouw.

Grafsteen Jan Jans Hilverda in Minnertsga

De clan van Hilwart
Waar de naam Hilverda, Hilwerda of Hilwarda vandaan komt? Waarschijnlijk heeft het nageslacht van ene Hilwart of Hilwert zich ooit zo genoemd. Dan zijn wij dus de clan van Hilwart. Zoals Hilversum de woonplaats van een Hilwart was.

Ik zou mijn achternaam kunnen veranderen in Hilwarda. In de brochure over naamsverandering van het Ministerie voor Justitie en Veiligheid staat: ‘Vanaf ongeveer 1811 heeft Friesland een Burgerlijke Stand. Sinds die tijd zijn Friese achternamen soms vernederlandst. De Friese achternaam ‘Sudema’ kan bijvoorbeeld de Nederlandse spelling ‘Zuidema’ hebben gekregen. U kunt een aanvraag indienen om uw oorspronkelijke Friese achternaam terug te krijgen.’


8 jun 2020

Familiekroniek - Schotanus

Ik heb het al eerder verteld, Verborgen Verleden is een van mijn favoriete tv-programma’s. Ik ben altijd lichtelijk jaloers als ik zie hoe archivarissen de stambomen van bekende Nederlanders uitpluizen en interessante documenten opduiken.
Gelukkig is er op internet ook veel te vinden en zijn er anderen die onderzoek hebben gedaan. Veel van mijn voorouders zijn arbeiders, landbouwers, schippers en bijna allemaal wonen ze generatie na generatie in Friesland. Maar na enig speurwerk kom ook ik heel andere takken tegen in mijn stamboom. Met voorvaderen die bijvoorbeeld hebben gestudeerd aan de universiteit van Franeker. Over de Lautenbachs heb ik hier al eens geschreven. Voorvader Jacobus Lautenbach komt uit Duitsland.

Kleermakerij Minnertsga

Kleermaker in Minnertsga
Een andere interessante tak is die van Schotanus. De moeder van mijn pake Johannes Nieuwenhuis heette Aaltje Schotanus. Haar vader Johannes Jacobus Schotanus was kleermaker in Minnertsga. Hier schreef ik over de kleermakerszaak in Minnertsga van Aaltjes broer Christoffel. Op de website Minnertsga Vroeger vond ik een mooi verhaal over die zaak.

Van Schoot
Op de website van de Schotanus Stichting vind ik de volgende informatie. Alle Schotanussen in ons land stammen af van Baernd Gabbes (ca. 1522–1551), die huwde met de uit het Drentse Ruinen afkomstige Johanna Hendriks. Baernd Gabbes werd geboren in Goïngarijp en vestigde zich in Oudeschoot - toen nog Schoot genoemd - vlakbij Heerenveen. Baernd en Johanna kregen drie zonen: Gabbe, Hendrik en Jelle. Omdat de jongens naar een Latijnse school gingen kregen ze Latijnse namen: Gabbe werd Jacobus, Hendrik werd Henricus en Jelle werd Gellius. Vader Baernd Gabbes was afkomstig van Schoot, in het Latijn: Schotanus.

Vetkopers
Over de voorvaderen van Baernd Gabbes is ook nog het een en ander bekend. De eerste die uit de duisternis van het verleden geplukt kan worden is Gabbe Baernds, geboren ca. 1437 in Fernwoude. Zijn zoon Baernd (geboren ca. 1462 in Stavoren) was commandant bij de Vetkopers. Hij sneuvelde op 13 januari 1496 op het Slotermeer, bij de strijd van de woudboeren tegen de Saksische troepen. Als je meer wilt weten over de strijd tussen de Schieringers en de Vetkopers, klik dan hier.

Schotanusatlas

Cartograaf
Jacobus, Henricus en Gellius waren de achterkleinzonen van Vetkoper Baernd. Jacobus Bernardi Schotanus (1547-1617) werd predikant, onder meer te Jorwerd. Henricus Bernardi werd hoogleraar aan de universiteit van Franeker en Gellius Bernardi werd dokter en priester te Leeuwarden. In mijn enthousiasme dacht ik even rechtstreeks af te stammen van cartograaf Bernardus Schotanus à Sterringa (van de befaamde Schotanusatlas), maar dat klopt niet. Voorvader van de cartograaf is Gellius, mijn voorvader is Jacobus. Het aardige is dat in mijn stamreeks de naam Jacobus steeds terugkomt. Mijn betovergrootvader, de kleermaker te Minnertsga, heette Johannes Jacobus Schotanus.

Familiewapen
Natuurlijk heeft het geslacht Schotanus een familiewapen. Dit zegt de website van de Schotanus Stichting erover: “Het is een zgn sprekend wapen. Hetgeen wil zeggen dat de symbolen deels aan de naam zijn ontleend. Ster en ring wijzen op de naam Starringa of Sterringa (afkomstig van de oorspronkelijke naam van Staveren). De drie boven elkaar geplaatste harten symboliseren "eigenerfd" bezit in drie opeenvolgende generaties, dus vrij van leenrecht, een zogenaamd allodiaal bezit.”


4 mei 2020

Moederlijke lijnen

Geïnspireerd door deze blog van Ad van der Zee, consulent erfgoed en geschiedenis bij het Erfgoedhuis Zuid-Holland zocht ik mijn moederlijke lijnen uit. Want waarom alleen maar de vaderlijke lijnen afspeuren?
Allemaal zijn ze geboren in het noorden van Friesland. Mijn overgrootmoeder Antje de Boer komt uit een schippersfamilie. Ik schreef hier over de familie Wijkstra. Antjes overgrootmoeder Antje Jans is op 5 februari 1833 'overleden in het schip leggende in de oude Stadsgracht te Leeuwarden', zo zegt de overlijdensakte.
Over overgrootmoeder Aaltje Schotanus uit Minnertsga schreef ik hier.
Over overgrootmoeder Sjoukje Feikema uit Herbaijum schreef ik hier.
De mooiste achternaam is toch wel die van Itske Donia uit Holwerd. Donia klinkt bijna als Friese adel.
De informatie komt vooral van de geweldige website Alle Friezen.

Mijn moeder was Antje Nieuwenhuis (1931, Marssum)
Haar moeder was           Wilhelmina van der Hogt (1910, Marssum)
Haar moeder was           Antje de Boer (1878, Warga)
Haar moeder was           Minke Wijkstra (1849, Deinum)
Haar moeder was           Trijntje van der Heide (1806, Bergum)
Haar moeder was           Antje Jans (1777, Bergum)

Middenachter mijn overgrootmoeder Antje de Boer

Mijn vader was Klaas Hilverda (1931, Dronrijp)
Zijn moeder was            Saakje Braaksma (1903, Dronrijp)
Haar moeder was           Trijntje Kuperus (1879, Berlikum)
Haar moeder was           Saakje Jans Hesselius (1848, Dronrijp)
Haar moeder was           Antje Martens Hoekstra (1821, Stiens)
Haar moeder was           Saakje Douwes (1788, Stiens)
Haar moeder was           Geertje Klazes (onbekend, onbekend)

Rechtsachter mijn overgrootmoeder Trijntje Kuperus

Mijn grootvader was Johannes Nieuwenhuis (1901, Franeker)
Zijn moeder was            Aaltje Schotanus (1863, Minnertsga)
Haar moeder was           Gaatske Stoffels Bloemsma (1831, Vrouwenparochie)
Haar moeder was           Aukje Wiebes de Vries (1805, Finkum)
Haar moeder was           Gaatske Aukes (1768, Stiens)
Haar moeder was           Janke Jans (ca. 1740, onbekend)

Mijn grootvader was Klaas Hilverda (1900, Dronrijp)
Zijn moeder was            Sjoukje Feikema (1859, Herbaijum)
Haar moeder was           Eelkje Jans Terpstra (1833, Dongjum)
Haar moeder was           Riemke Gerrits Herrema (1802, Tzummarum)
Haar moeder was           Dieuwke Jans (1766, Oosterbierum)
Haar moeder was           Itske Harmens Donia (1740, Holwerd)
Haar moeder was           Jacobje/Japikje Alefs/Ales (1715, onbekend)

Mijn overgrootmoeder Sjoukje Feikema