Posts tonen met het label cultureel erfgoed buitenland. Alle posts tonen
Posts tonen met het label cultureel erfgoed buitenland. Alle posts tonen

8 jan 2019

Polly Maggoo, obscuur kroegje in Parijs

Tijdens mij verblijf als au-pair in Parijs (1978/1979) had ik een stamkroeg: Polly Maggoo, 11 Rue St-Jacques. Ik kwam er met vriendinnen die ook au-pair waren en met medestudenten, vooral Amerikanen, die net als ik een cursus Frans voor buitenlanders volgden aan de Sorbonne. Polly was een obscuur cafeetje, waar het bier overdag slechts drie franc zestig kostte, veel goedkoper dan in andere café's in het centrum. En er werd goede muziek gedraaid, Patti Smith, de Rolling Stones en iedere avond de elpee 'Street-Legal' van Bob Dylan.

Oud affiche op de muur van het huidige Polly Maggoo
Mei '68
De stoelen, banken en tafelbladen kwamen uit oude metrorijtuigen. Aan de donkere muren hingen affiches van de film 'Qui êtes-vous Polly Maggoo', van Cassius Clay en affiches met portretten van ongure types.
Wat we vooral leuk vonden: je had er snel contact met andere bezoekers. Of beter gezegd: met mannen. Zo ontmoetten we er een Duitser, Norbert, die beweerde dat hij de enige buitenlander was die tijdens de rellen van mei ’68 in Parijs was opgepakt. Hij had drie dagen in de gevangenis gezeten.
Overdag zaten voor het raam altijd mannen te schaken, met een klok naast zich op tafel. Eén van hen was de Joegoslaaf Tomislav op wie enkele van mijn au-pair vriendinnen verliefd waren.

Polly Maggoo in 1982
'Qui êtes-vous Polly Maggoo'
Het is een prachtig affiche, maar de film 'Qui êtes-vous Polly Maggoo' heb ik nooit gezien. Het is een Franse speelfilm uit 1966, geregisseerd door William Klein. De mysterieuze vrouw op het affiche is het Iers-Amerikaanse model Dorothy McGowan. De film is een satire op de modewereld in Parijs. Op YouTube zijn enkele fragmenten te vinden.

Qui etes-vous Polly Maggoo?
Het nieuwe Polly Maggoo
Het oude Polly Maggoo is allang verdwenen, op nummer 9-11 is nu hotel Henri IV gevestigd. Het nieuwe café Polly Maggoo dat op nummer 3 is te vinden (hier heet de Rue St-Jacques Rue du Petit Pont), lijkt in niets op het oude Polly. Maar wel hangen er de oude affiches en ze draaien er goede muziek. Een biertje kost er aan het eind van de middag - happy hour - € 4,50.
Heb je herinneringen aan het oude Polly Maggoo? Laat het me weten!

Polly Maggoo nu

18 jan 2018

Midnight at the Oasis – Rick’s Café in Casablanca

‘Play it once Sam, for old times’ sake,’ dat zijn de magische woorden die Ilsa Lund (Ingrid Bergman) in de film ‘Casablanca’ uitspreekt als ze voor het eerst Rick’s Café Americain in Casablanca bezoekt. Sam, de pianist, wil eigenlijk niet, maar ze dwingt hem ‘As time goes by’ te spelen. Wanneer Rick Blain (Humphrey Bogard) de klanken hoort, verstrakt hij. Het is hún lied, het lied dat hoort bij hun korte en hevige affaire in Parijs. Een affaire waaraan een einde komt komt als de Duitsers Parijs binnenvallen. Rick vlucht naar Casablanca en begint daar een café. Ilsa verdwijnt.


Oudejaarsavond
In november ontmoeten we een bevriend stel dat toevallig rond oud en nieuw ook naar Marokko gaat. We spreken af oudejaarsavond gezamenlijk door te brengen in Casablanca.  Een paar dagen later krijg ik een appje: ‘Wij zijn op oudejaarsavond in Rick’s Café. Komen jullie ook?’ Natuurlijk! Via de website www.rickscafe.ma reserveer ik voor twee personen. Het geld voor de gala-avond moet ik overmaken naar een bedrijf dat The Usual Suspects heet. ‘The usual suspects’, nog zo’n gevleugelde uitdrukking uit de film ‘Casablanca’. Als de overboeking voor het Midnight at the Oasis Gala Dinner gelukt is, voel ik de opwinding. Yes, we gaan oud en nieuw vieren in Rick’s Café in Casablanca!


Rick’s Café
‘Casablanca’ werd gemaakt in 1942, door regisseur Michael Curtiz. Het is gebaseerd op het toneelstuk ‘Everybody comes to Rick’s’ van Murray Burnett en Joan Alison. De scènes zijn opgenomen in de filmstudio, in decor dat al was gebruikt voor andere films. De oorlog had het onmogelijk gemaakt nieuwe decors te bouwen.
In 1942 was er geen Rick’s Café in Casablanca, maar sinds 2004 is het er wel. Het lumineuze idee om het befaamde café uit de film tot leven te wekken, komt van de Amerikaanse Kathy Kriger. Ze werkte als diplomaat in Marokko, maar verliet na 9/11 de diplomatieke dienst omdat ze het niet eens was met het beleid van George Bush. Haar liefde voor Marokko besloot ze om te zetten in een café-restaurant: Rick’s Café.

Rick's Café in Casablanca
Cocktails
We arriveren om half negen bij Rick's Café, onze Rotterdamse vrienden staan al in de rij voor de deur. Een hele rij personeelsleden heet ons welkom. Ze bieden ons dadels aan, een glas bubbels, een hapje. Met mijn handen vol – ik moet mijn tickets drie keer laten controleren – worden we naar ons tafeltje geleid. In rap tempo komen er schalen met hapjes langs. Een combo speelt jazzy muziek. Boven kunnen we roulette spelen en cocktails bestellen. Hoewel Rick’s Café in de film er anders uitziet, ademt dit café wel dezelfde sfeer uit.


Confetti kanonnen
Gastvrouw Kathy Kriger ziet er prachtig uit in haar witte kaftan met oranje en rode banen. Ze kondigt ieder gerecht aan met een persoonlijk verhaaltje - zo heeft het toetje iets te maken met Hugh Heffner - en loopt langs de tafels om iedereen smakelijk eten te wensen.
Tegen twaalfen is het eindelijk zover en speelt de pianist het nummer waar we al zo lang op wachten: ‘As time goes by’. Dan telt hij af en is het middernacht en mogen we op onze toetertjes blazen en onze confetti kanonnetjes afschieten. We blijven binnen. Of er in Casablanca vuurwerk wordt afgeschoten, geen idee.
Even na één uur verlaten we Rick’s Café en laten ons door een van de rode Petit Taxi’s die het straatbeeld van Casablanca beheersen naar ons hotel brengen.

3 sep 2017

Château Siaurac

Lichtglooiend landschap met wijngaarden, torenspitsen die boven de heuvels uitsteken, grote huizen van licht zandsteen. We rijden over smalle wegen door de wijnstreek Lalande de Pomerol, niet ver van Bordeaux, op zoek naar Château Siaurac.


Au pair in Parijs
Van september 1978 tot en met juni 1979 was ik au pair in Parijs, bij Malcy Ozannat en haar zevenjarige zoon Jean. Andere au pairs woonden op de chambre de bonne op de zesde verdieping, ik had een kamer in het appartement van de familie, aan de Avenue Bugeaud in het zestiende arrondissement. Jean was lief maar kon erg dwars zijn. Iedere avond moest hij in bad en voerden we dezelfde strijd: hij wilde er niet in en hij wilde er niet uit.

De vader van Malcy was Olivier Guichard, die minister was geweest in de regering De Gaulle en nu burgemeester was van de chique badplaats La Baule. In de paasvakantie moest ik mee naar het wijnlandgoed van de familie Guichard bij Bordeaux: Château Siaurac. Er verbleef nog een au pair, de Australische Pamela, die voor de tweejarige Jeremy moest zorgen, een neefje van Jean. Het huis was groot, de kamers vol meubilair, tapijten en wandkleden wat groezelig. Een slecht onderhouden museum, zo voelde het.


Teveel wijn
In de week voor Pasen mochten Pam en ik samen met de familie eten, aan een grote ronde tafel. We werden bediend in volgorde van belangrijkheid, madame Guichard als eerste, Pam en ik waren het laatst aan de beurt. De conversatie aan tafel ging vooral over anderen. En madame Guichard merkte iedere keer op dat Pam en ik teveel wijn dronken tijdens het diner.
Toen met Pasen Olivier Guichard ook aanwezig was, moesten Pam en ik met de kinderen in de keuken eten, samen met het personeel. Wel werden we - de au pairs - na de maaltijd uitgenodigd in een kamer waar een borrel werd geserveerd en de heren sigaren rookten.


Vlakbij Néac vinden we Château Siaurac. Het huis is groot, veel groter dan in mijn herinnering, ook de parkachtige tuin is nog groter dan ik me herinner. Je kunt er nu eten en wijn proeven. In de ontvangstruimte waar wijnflessen te koop staan, vraag ik een personeelslid of het château nog van de familie Guichard is. Ze vertelt dat Olivier Guichard in 2004 is overleden en dat zijn drie dochters, werkzaam als redacteur of journalist, het hebben overgedragen aan een andere eigenaar.


Ik loop over het gazon om op een afstand naar het huis te kijken. Hoe het er van binnen uitzag, weet ik niet meer, wel herken ik het weggetje dat tussen de wijngaarden door naar Néac gaat.
Het is bijna veertig jaar geleden dat ik hier verbleef. Jean is nu 45 of 46. Hoe zou het met hem zijn?

9 jan 2016

Geboortehuis van Dracula?

Transsylvanië, dat klinkt spannend. Dat klinkt naar duistere bossen, gehuil van weerwolven, kastelen met hoge torens waar vleermuizen omheen fladderen. Wanneer we deze zomer verwachtingsvol Roemenië binnenrijden, blijkt de werkelijkheid heel anders. Transsylvanië is vriendelijk boerenland, met slecht onderhouden wegen – let vooral goed op bij spoorwegovergangen! – en dorpen met roze, groen of blauw gestucte huizen met moestuinen rondom.

Vriendelijk boerenland
Toch voelt het bijzonder als ik voor het eerst geld opneem bij de Banca Transilvania. En als we in Sighisoara een bord tegenkomen dat ons uitnodigt het geboortehuis van Dracula te bezoeken, kunnen we het niet laten. 

Geboortehuis van Dracula?
Onheilspellende muziek
We lopen het okerkleurige hoekpand binnen en komen terecht in een restaurant. Aan een kelner betalen we de toegangsprijs, hij drukt op een knop en wijst ons dat we een smalle trap naar boven moeten nemen. Boven is het donker. Er klinkt onheilspellende muziek. Ik zie nog net hoe een man in een zwarte cape snel in een doodskist klimt. Als we de duistere kamer inlopen, komt hij overeind en roept zachtjes ‘Oeoeoeoeh’. Hij moet ons aan het schrikken maken, maar vooral niet teveel. 
Kamer twee is ook verduisterd, rode lampen zorgen voor flakkerend licht. Aan de muur hangt een schilderij van naakte mannen op spiezen. Vlad de Spietser, dat was de bijnaam van Vlad III die in de vijftiende eeuw ten strijde trok tegen de Ottomanen en er nogal wrede methoden op nahield. Voor de Roemenen is deze Vlad een verzetsheld. Het Draculaverhaal kwam in 1897 de wereld in toen de Ierse schrijver Bram Stoker (1847-1912) zijn vampierenverhaal publiceerde.

Gespiesde mannen
Vlad III
Vlad III, vorst van Walachije, leefde van 1431 tot 1467. Hij vocht tegen de Turken onder de Orde van de Draak. Daar komt de naam Dracula vandaan, want het Roemeense woord dracul betekent draak of duivel. Bram Stoker liet zich niet inspireren door Vlad, maar door een oud vampierverhaal. 'Dracula' speelt zich weliswaar af in Transsylvanië, maar verder heeft Vlad III helemaal niets te maken met de fictieve Dracula. Voor de Roemenen schijnt het dan ook nogal een schok te zijn geweest toen ze na de val van het IJzeren Gordijn ontdekten dat hun nationale held in de ogen van het Westen een vampier was. Maar ze hebben zich snel hersteld en buiten het beroemde verhaal nu ten volle uit. Zo werd het geboortehuis van Vlad III moeiteloos omgedoopt tot geboortehuis van Dracula.

Vlad III


6 dec 2015

Slavische ringwalburg in Groβ Raden

Tijdens onze schrijfretraite in augustus in Werkstatt Wendorf in de Duitse deelstaat Mecklenburg-Vorpommern maakten we iedere dag een wandeling. Beweging is immers goed voor de geest, en het landschap rondom Wendorf glooit vriendelijk. De zandpaden leiden naar bossen, kleine meren of dwalen door graanvelden.

Wandelen bij Wendorf
Sinds kort staan in Wendorf informatiebordjes die iets vertellen over de geschiedenis van de omgeving. Op één van onze wandelingen vinden we bij een weiland een bordje dat ons vertelt dat verderop de contouren van een Slavische ringwalburg uit de tiende eeuw na Christus te zien zijn. We turen naar alle uithoeken van het weiland, maar zien geen aanwijzingen van de plaats waar de burg moet hebben gestaan.
Gelukkig weet Ton Matton van Werkstatt Wendorf dat 25 kilometer verderop, in Groβ Raden, een openluchtmuseum is waar we een dergelijke burg kunnen zien.

Vanaf de parkeerplaats in het dorp is het nog ongeveer twintig minuten lopen naar het museum. Het archeologisch museum zelf laten we links liggen, we zijn alleen geïnteresseerd in de ringwalburg. Langs het pad dat van het museumgebouw naar het openluchtmuseum loopt, zien we grote inkepingen in de heuvel. Hier hebben vroegere bewoners zand afgegraven om hoge wallen op te werpen.

Huis van leem
Het Archäologisches Freilichtmuseum Groβ Raden is geheel gewijd aan de Slavische cultuur. Er is een dorp nagebouwd, met lemen huisjes met rieten daken. In de huisjes kunnen we zien hoe de Slaven leefden.
Het mooiste van het museum is de gereconstrueerde ringwalburg, een ronde hoge wal, bovenop versterkt met palen. Binnen de wallen is geen bebouwing, maar in de negende en tiende eeuw stonden er huisjes. Dreigde er gevaar, dan trokken de dorpsbewoners zich hier terug.
Op maquettes zien we dat de ringwalburg in vroeger tijden werd omgeven door water.
De ringwalburg is waarschijnlijk tussen de zesde en negende eeuw in centraal Europa geïntroduceerd door binnenvallende Slavische volkeren. Ook in een aantal Nederlandse plaatsen is de ronde vorm van de ringwalburg terug te vinden, zoals in Souburg en Middelburg.

De ringwalburg
Het Archäologisches Freilichtmuseum werd in 1987 geopend, nadat tussen 1973 en 1980 opgravingen hadden plaatsgevonden. Je kunt het museum bezoeken van april t/m oktober op ma. t/m zo., 10.00 tot 17.30 uur; van november t/m maart op di. t/m zo., 11.00 tot 16.30 uur.
Hier vind je de website van het museum.

Binnenkant ringwalburg

29 nov 2015

De verhalen van een landschap

Tim Robinson bracht West-Ierland in kaart

Ieder landschap is verbonden met de geschiedenis van zijn bewoners. De mensen gaven namen aan de nederzettingen die ze vormden, aan de paden die hun dorpen met andere dorpen verbond, aan de rivieren en de meren, aan de plek waar hun vee graasde, aan de heuvel waar ze de galg oprichtten. Het landschap is nauw verbonden met al deze verhalen. Een schrijver en cartograaf die het op zich heeft genomen alle verhalen over het landschap uit zijn omgeving minutieus te verzamelen is de Engelse schrijver Tim Robinson (1935) die in 1972 van Londen verhuisde naar een van de Aran Eilanden aan de Ierse westkust.
Dit verhaal verscheen eerder op de blog van Geschiedenislab.

Roundstone
In de eerste week van maart 2013 verbleef ik een week met een groep schrijfcursisten inLetterdyfe House in het Ierse dorpje Roundstone, in het district Connemara. Organisator van de schrijfreis en mede-schrijfdocent Henk Weltevreden had een ontmoeting gearrangeerd met Tim Robinson die sinds 1984 met zijn vrouw Mairead in een geel huis in Roundstone woont, direct aan de baai. Robinson vertelde ons over zijn werk en maakte met ons een wandeling over het eiland Inishnee in Roundstone Bay.

Het huis van Tim Robinson
Aran-eilanden
Tim Robinson (1935) studeerde wiskunde in Cambridge en doceerde dit vak in Istanbul, Wenen en Londen. Toen hij in 1972 verhuisde naar de Aran-eilanden dacht hij hier de rust te vinden om een roman te schrijven. Maar in plaats van rustig aan een bureau te gaan zitten schrijven, maakte hij iedere dag lange wandelingen over het eiland. Na een paar weken vroeg de eigenaresse van het plaatselijke postkantoor hem of hij niet een kaart van het eiland kon maken. En met die vraag vond Tim Robinson zijn bestemming. Hij bracht de Aran-eilanden minutieus in kaart en ging op zoek naar de herkomst van de namen van iedere plek. De verhalen kregen een plaats in het boek ‘Stones of Aran’ dat uit twee delen bestaat: ‘Pilgrimage’(1986) en ‘Labyrinth’ (1995). Het is het Nederlands vertaald als ‘De Aran-eilanden’.
Nadat hij de Aran Islands in kaart had gebracht, verhuisde Tim Robinson naar Roundstone en ging op dezelfde manier aan de slag met Connemara en The Burren. Over Connemara schreef hij drie boeken, waarvan het eerste in het Nederlands is vertaald door Gerrit-Jan Zwier als ‘Connemara. Luisterend naar de wind’.

Tim Robinson (links)
Mistflarden
In ‘Connemara. Luisterend naar de wind’ neemt Robinson ons mee op zijn wandelingen rondom Roundstone. Hij vertelt over de melkwei die vroeger hoog op de heuvel lag, waar het vee ’s zomers naartoe werd gebracht en waar ’s avonds werd gedanst. Hij vertelt over de plekken waar jongens en meisjes elkaar stiekem ontmoeten, hij vertelt over de graven uit de hongertijd. De informatie heeft hij verzameld door alle ouderen in de omgeving te bevragen naar de verhalen en liederen die zij weer van hun ouders hebben gehoord. Zelf schrijft hij: ‘De overleveringen over het veen die ik van mensen in Roundstone hoor, […] bestaan uit verhalen die als mistflarden over Roundstone Bog heen drijven, die zich nu eens vermengen en daardoor niet duidelijk te zien zijn, zich dan weer een poosje oplossen in de ijle lucht en dan als uit het niets weer zichtbaar worden.’

Meelopen
‘Connemara. Luisterend naar de wind’ is niet een boek dat je in één ruk uitleest. Het liefst zou je met Robinson meelopen over de oude paden rondom Roundstone en met hem meekijken en luisteren naar de verhalen. In de poëtische documentaire ‘Tim Robinson: Connemara’ die filmmaker Pat Collins met en over Robinson maakte, doen we dat en verwonderen we ons samen met hem over de sprookjesachtige schoonheid van West-Ierland.

Wandelen over Inishnee
Je zou willen dat iedere streek zijn eigen Tim Robinson heeft die geduldig het landschap verkent en alle verhalen die hier ooit zijn verteld verzamelt en ze vervolgens zorgvuldig opschrijft. Omdat, zoals Cees Nooteboom schrijft op de achterkant van het boek, ‘hij daardoor de vergankelijkheid van tenminste één plek op aarde heeft opgeheven.’

1 nov 2015

Hugo de Groot in Rostock

Omdat ik gisteren Delft bezocht, hieronder het artikel dat ik in 2012 voor de blog van Geschiedenislab schreef over waarom Hugo de Groot stierf in Rostock. 

Een paar jaar geleden schreef ik in het kader van het project Geschiedenis in levende lijve een monoloog voor Hugo de Groot. De monoloog speelt zich af op het moment dat De Groot besluit Zweden te verlaten en zich afvraagt waar hij naartoe zal gaan. Bijna drie weken later overlijdt hij in in het Duitse Rostock. Omdat ik deze zomer Rostock bezoek, wil ik natuurlijk graag de plaquette zien die op de muur hangt van het pand waar De Groot is gestorven.

Hotel Sonne
De jongen achter de balie van de Tourist Information op de Universitätsplatz heeft nog nooit van Hugo Grotius gehoord, maar vindt na enig zoeken op internet de juiste straat voor me: Groβe Wasserstraβe. Op de hoek van deze straat en de Neue Markt staat een nieuw gebouw, Hotel Sonne, en op de muur van dit hotel hangt de plaquette. Met daaronder de uitleg dat op deze plek, tot ze werden vernield in de Tweede Wereldoorlog, elf mooie panden stonden waaronder enkele herbergen en brouwerijen. Hugo Grotius, de Nederlandse grondlegger van internationale jurisprudentie stierf in een van hen.
Maar waarom stierf onze grote rechtsgeleerde in deze stad aan de Oostzee?

Rostock. Geheel rechts - geel pand met trapgevel - Hotel Sonne
Banneling
Op 11 augustus 1645 vertrekt Hugo de Groot uit Stockholm. Hij is tien jaar lang in Parijs ambassadeur voor Zweden geweest, maar vindt het genoeg. De Zweedse koningin Christina probeert hem over te halen te blijven. Hij weigert, het Zweedse klimaat bevalt hem helemaal niet. Het liefst wil De Groot terug naar zijn vaderland, maar daar is hij niet welkom. Hij is en blijft een banneling.
Het reisdoel van Hugo de Groot is niet bekend. Wil hij zich bij zijn vrouw Maria voegen die in Spa verblijft of heeft hij besloten toch maar terug te keren naar Parijs? Of is hij met een geheime Zweedse missie op weg naar Münster, zoals Vondel suggereert in een lijkdicht?
Dankzij de brieven die zijn bediende Willem van Crommon over deze reis aan zijn vader schrijft, weten we vrij nauwkeurig wat er tijdens de reis is gebeurd.

Plaquette op Hotel Sonne
Storm
Op 12 augustus verlaat de ertsvaarder waarop De Groot en zijn gevolg zich bevinden de Zweedse haven Dalarö. De volgende dag komt het eiland Öland in zicht, maar het weer verslechtert en in de nacht van 14 op 15 augustus steekt er een storm op die het schip stevig toetakelt. Met één overgebleven mast drijft het schip voor de wind verder naar het oosten. Twee dagen later verhevigt de storm, maar gelukkig is er land in zicht. Het schip bevindt zich dan vlakbij de Poolse stad Łeba. ’s Ochtends waarschuwt de bemanning met een kanonschot de plaatselijke bevolking en als de wind kalmeert worden de opvarenden met een sloep aan land gebracht. Hugo de Groot besluit meteen door te reizen naar Lübeck, een tocht van zeshonderd kilometer. Op 22 augustus bereiken hij en zes dienaren Stettin en op 26 augustus komen ze aan in Rostock, waar hij een kamer betrekt op de bovenverdieping van het pension van Catherina Balemans, de weduwe van een wijnkoper. Hij is totaal uitgeput van de reis.

Terug naar Delft
De volgende dag wordt er een chirurgijn ontboden, deze vraagt er nog een arts bij, Joachim Stockman, hoogleraar aan de plaatselijke universiteit. Stockman vindt de situatie van de zieke niet ernstig, ’t was maar een vermoeytheyt. Maar de volgende dag geeft hij de patiënt geen enkele kans meer en adviseert een predikant te waarschuwen. Tegen middernacht blaast de ongelukkige rechtsgeleerde zijn laatste adem uit. Pensionhoudster Catherina Balemans zit naast hem.
Pas nu hij dood is, mag Hugo de Groot terug naar zijn geboortestad Delft. Zijn gebalsemde lichaam wordt op 3 oktober bijgezet in de Nieuwe Kerk.

Standbeeld Hugo de Groot voor de Nieuwe Kerk in Delft
Literatuur
Henk Nellen, ‘Hugo de Groot. Een leven in strijd om de vrede, 1583-1645’ (Balans, 2007)

21 okt 2015

Duurzaam bos in Brazilië

Onze vensterbanken in de jaren zeventig, daar moest ik steeds aan denken tijdens wandelingen door de Braziliaanse jungle. De huiskamerplanten die toen bij ons in de mode waren, groeien en bloeien hier uitbundig in het wild. De ficus, de yucca, de parapluplant, je zou er bijna nostalgisch van worden. Mijn oma had een grote bromelia in een koperen sierpot voor het raam staan. In Brazilië groeien de bromelia’s op bomen.

Bromelia op boom
Mata Atlântica
Voor de Europeanen bezit namen van het land was Brazilië één en al regenwoud. Van dit Atlantische oerbos is nu nog slechts zeven procent over. En dat is ernstig, want veel plantensoorten komen alleen in de Mata Atlântica voor. Gelukkig groeit in Brazilië het besef dat er iets aan de ongebreidelde kap moet gebeuren en zijn her en der projecten opgezet om het regenwoud te beschermen en te herbeplanten.
Ook in Praia do Forte (Bahia), dat zich erop voorstaat een broedplaats voor ecotoerisme te zijn, wordt het een en ander ondernomen om de Mata Atlântica te behouden. Initiator van deze projecten was Wilhelm Hermann Klaus Peters, een ondernemer van Duitse afkomst die zich hier in de jaren zeventig vestigde.

Bananenplanten
Kwekerij
Ten zuidwesten van Praia do Forte ligt de Reserva Ecológica da Sapiranga, een terrein van zeshonderd hectare waar het regenwoud wordt beschermd. Er is zelfs een bescheiden project opgezet, het Projeto Floresta Sustentável, waar oorspronkelijke planten worden gekweekt die gratis door omwonenden kunnen worden afgehaald, zoals cacaoplanten, cassave, tamarinde en koffieplanten. Op die manier tracht men de biodiversiteit in stand te houden en te vergroten. Dat is nodig, want de lokale bevolking heeft het liefst alleen bananenbomen en mangobomen in de tuin.
De ecotoerist kan de kwekerij bezoeken en via verschillende trails kennismaken met de flora en fauna van de Reserva. Maar ook een heel andere soort toerist komt hier aan zijn trekken. Knetterende quads verstoren regelmatig de rust in de jungle. Er zitten nog wel meer smetjes op de gepropageerde duurzaamheid. In de Reserva ligt een klein dorpje, Tapera. De vuilnisauto’s van Praia do Forte komen niet naar Tapera, zodat de bewoners hun vuilnis zelf maar verbranden.

Viveiro de mudas (kwekerij)
Parque Klaus Peters
In 2013 werd Wilhelm Hermann Klaus Peters, de grondlegger van het ecotoerisme in Praia do Forte, geëerd met een eigen park. In het Parque Klaus Peters wordt de oorspronkelijke kustbegroeiing beschermd. Je bereikt het park via een houten brug over de lagune. Het is hier een duingebied, de bomen en struiken zijn lager en ruiger dan in de Reserva da Sapiranga.
Door het park loopt een breed pad dat drie en een halve kilometer lang is en geplaveid met grijze stenen.
Als buitenlandse ecotoerist kom je hier aan je trekken. Langs het pad staan verschillende borden die informatie geven - ook Engelstalig - over de planten, de vogels, de vlinders en andere dieren die hier leven. En, je hoeft je niet te ergeren aan uitlaatgassen en ronkende motoren, hier mag alleen worden gewandeld en gefietst.
Bij de ingang van het park staat een bord met informatie over Wilhelm Hermann Klaus Peters, de man die zijn droom waarmaakte en het vissersplaatsje Praia do Forte omtoverde tot een duurzaam tropisch paradijs. “Usufruir sem destruir”, staat er als motto bij. Genieten zonder vernietigen. Zo is dat, want de wilde planten in de jungle zijn veel mooier dan de gedomesticeerde op onze vensterbanken.

De lagune

13 okt 2015

Marianne in Rio

Onderweg naar de veerboot die ons naar Niterói zal brengen, stuiten we op een imposant gebouw. Rio de Janeiro grossiert niet in oude gebouwen, dus besluiten we dat de ferry wel even kan wachten, bestijgen de trappen en geven ons op voor een gratis rondleiding in het Engels.

Palácio Tiradentes
Sterrenhemel
Het gebouw is het Palácio Tiradentes. In de jaren twintig werd er veel gebouwd in Rio en lieten architecten zich graag inspireren door Parijs. Zo is het Theatro Municipal een kopie van de Parijse Opéra. Het Palácio Tiradentes kwam gereed in 1926 en zou niet misstaan in Parijs.
Tot 1960 was dit het parlementsgebouw van Brazilië, toen moest Rio als hoofdstad van het land plaatsmaken voor Brasilia. Vanaf het balkon waar het publiek mocht zitten, bekijken we de zaal waar het parlement vergaderde. Boven de zaal is een reusachtige blauwe glazen koepel die de sterrenhemel weergeeft van de nacht van 15 november 1889, de dag waarop Brazilië een republiek werd met een eigen regering.

De sterrenhemel op 15 november 1889
Lauwerkrans
In een andere zaal wijst de gids, een jonge student, ons op de schilderingen op het plafond. Recht boven ons zien we een vrouw. Hij laat ons even gissen wie het zou kunnen zijn en vertelt dan dat het Marianne is. Het zinnebeeld van de Franse Revolutie, de personificatie van de Vrijheid, was voor de jonge republiek een bron van inspiratie. En nog steeds is Marianne nauw verbonden met Brazilië, want de gids vertelt ons dat ze is afgebeeld op de Braziliaanse munt, de real. Ik open meteen mijn portemonnee en ja, daar is ze, inclusief lauwerkrans.

Marianne op de real
Tandentrekker
Palácio Tiradentes is genoemd naar Joaquim José da Silva Xavier (1746-1792), een van de leiders van een revolutionaire beweging die streefde naar onafhankelijkheid van Portugal. Voor de Brazilianen is hij een nationale held. Zijn bijnaam was Tiradentes, dat tandentrekker betekent. Het Palácio is gebouwd op de grond waar vroeger de oude gevangenis stond waar Tiradentes gevangen werd gehouden.
Het gebouw huisvest nu de wetgevende macht van de staat van Rio de Janeiro.

7 okt 2015

Castelo de Garcia D’Ávila – cultureel erfgoed in Brazilië

Naast de ruïne staat een zeshoekige kapel waarvan de witte muren schreeuwen om een likje verf. De akoestiek binnen is indrukwekkend, maar het is de vraag of er wel eens een zanger of muziekensemble gebruik van maakt. Binnen zijn de muren okerkleurig met oranjebruine randen. Het gewelf boven het altaar is beschilderd als een jacobsschelp.

De kapel
Casa da Torre
Ruïne en kapel staan op een heuvel aan de overig vlakke kust ten zuiden van het toeristische plaatsje Praia do Forte, in de Braziliaanse deelstaat Bahia. Het is een strategische plek, ooit gekozen door de Portugees Garcia D’Ávila, die zijn bezit wilde verdedigen tegen invallen van Hollanders en Spanjaarden.  Garcia D’Ávila was de rechterhand van de Tome de Souza, de eerste gouverneur van Brazilië. Hij mag met recht een grootgrondbezitter worden genoemd, het stuk land waarvan hij de eigenaar was besloeg maar liefst 800.000 km2, zo’n tien procent van Brazilië. In 1551 liet hij op de heuvel een toren bouwen, het eerste Portugese militaire gebouw in Brazilië. Vanaf de toren kon, met vuursignalen, worden gecommuniceerd met schepen.
Van de toren is niets meer over, maar het huis wordt, naast Castelo de Garcia D’Ávila, ook wel Casa da Torre genoemd. Naast de toren werd een gefortificeerd huis gebouwd. Waarschijnlijk is de naam Praia do Forte te herleiden tot dit fort. Het fort was het vertrekpunt van veel expedities naar de binnenlanden van het noordoosten van Brazilië.

Tekening van de toren
Opgravingen
Tussen 1999 en 2010 heeft de Fundação Garcia D’Ávila ervoor gezorgd dat de ruïne en de kapel werden gerestaureerd en toegankelijk gemaakt voor bezoekers. Het terrein is nu vele malen kleiner dan in de zestiende eeuw: tien hectare.
Via een metalen trap klimmen we, mijn Braziliaanse metgezel Marcio en ik, naar de eerste verdieping en bewonderen het uitzicht: hoge kokospalmen en de Atlantische Oceaan.
In het grasveld voor de ruïne lopen we langs opgravingen die resten van stenen muren laten zien. Hoorde dit bij het castelo? Was hier een woonhuis? Vragen die onbeantwoord blijven, want in de expositieruimte zijn enkel verbleekte foto’s van de opgravingen te zien en een paar artists impressions waarop we Portugese soldaten ontwaren.

Palmen en de oceaan
Archeologische vindplaats
Bij de entree van het terrein van Castelo de Garcia D’Ávila staat een portiershok met een portier die toegangskaartjes verkoopt en even verderop staat een mooi bezoekerscentrum. Maar bij de bar kun je niets kopen, in het gedeelte dat bestemd is om producten te verkopen die gemaakt zijn door de lokale bevolking, zien we alleen houten zeilbootjes in de vitrine en de archeologische vondsten in de expositieruimte staan te verstoffen.
Marcio weet dat er een informatieve video bestaat. We gaan zitten in de audiovisuele ruimte en op ons verzoek haalt een van de suppoosten de film. Na enig gepruts krijgt hij de apparatuur aan de praat. Het commentaar bij de film is in het Portugees en wordt niet vertaald. Het enige wat ik versta is, dat dit een van de grootste archeologische vindplaatsen is van Brazilië.

Bootjes in vitrine
Erfgoed toegankelijk maken
Het Castelo de Garcia D’Ávila is een mooi voorbeeld van waarom er structurele ondersteuning nodig is om erfgoed toegankelijk te maken. Niet alleen voor toeristen uit eigen land, maar ook voor buitenlandse toeristen. Ik weet dat Brazilië urgentere problemen heeft om op te lossen, maar toch lijkt het me mooi als hier een tentoonstelling is die me – in het Engels – het verhaal vertelt van Garcia D’Ávila, van de torre en het castelo, van de Hollanders die de kust van Bahia belagen en van de teloorgang van het huis. En dat er afspraken worden gemaakt met de hotels en pousadas in Praia do Forte en dat er bussen zijn die toeristen vervoeren van Praia do Forte naar hier. Per slot van rekening is dit een van van de grootste archeologische vindplaatsen van Brazilië.

Entree terrein
Ficus als amfitheater
En tot slot wil ik klassieke concerten in de kapel en theatervoorstellingen onder de meer dan een eeuw oude Ficus Guapa. Want eigenlijk is deze grillige en indrukwekkende boom het mooiste wat het terrein te bieden heeft. Met zijn enorme takken vormt de Ficus een half amfitheater waar het publiek kan zitten op een lange halfronde stenen bank. Wordt dit prachtige natuurlijke theater ooit als zodanig gebruikt? Marcio weet alleen dat het bezoekerscentrum in de avonden vooral wordt verhuurd voor bruiloften en partijen.

Ficus Guapa vormt amfitheater

Met dank aan Marcio Nogueira die de informatie uit de video voor me vertaalde.

26 apr 2015

Zoeken naar Tuschinski in Brzezin

In de zomer van 2014 rijden we van Warschau naar Berlijn en besluiten bij Łodz naar het zuiden af te buigen en Brzezin te bezoeken, de geboorteplaats van filmmagnaat Abraham Tuschinski.
Brzezin blijkt een grauwe en haveloze plaats te zijn, niet te vergelijken met Krakau, Gdansk en Warschau waar de binnensteden mooi zijn gerestaureerd.

Brzezin
Tuschinski
Abraham Tuschinsky werd er geboren in 1886. Volgens de overlevering wilde hij in 1904 naar Amerika emigreren, maar bleef hangen in Rotterdam. In 1911 opende hij in het Rotterdamse Zandstraatkwartier zijn eerste bioscoop, de Thalia. Al snel wist hij een waar bioscoopimperium op te bouwen, met als hoogtepunt Theater Tuschinski dat in 1921 in Amsterdam werd geopend.
Tijdens het bombardement van 14 mei 1940 werden al zijn Rotterdamse bioscopen verwoest. De Joodse Tuschinski werd op 1 juli 1942 naar Westerbork gebracht en stierf op 17 september van dat jaar in Auschwitz.

Graf Will Tuschinski (rechts)

Joods kerkhof
Op de plattegrond van Brzezin staat een Joods kerkhof aangegeven, daar kunnen we vast wel een teken vinden van de familie Tuschinski.
Abraham Tuschinski’s enige zoon Will stierf in 1939 aan keelkanker en werd in Rotterdam begraven op de Joodse begraafplaats aan het Toepad. Met het beeld van deze goed onderhouden begraafplaats in het achterhoofd gaan we op zoek. Op de plaats waar volgens de plattegrond het kerkhof moet zijn, ligt een lage, met struikgewas begroeide heuvel, omgeven door een kniehoog muurtje. Is dit de Joodse begraafplaats? We nemen het onverharde pad dat langs het muurtje loopt en stuiten op een toegangshek met een Davidsster. Dit is inderdaad het Joodse kerkhof.

Hek begraafplaats

Glasscherven
Het hekje is op slot, maar het is niet moeilijk over het muurtje te stappen en het terrein op te lopen. Verspreid over het terrein liggen brokstukken van grafstenen met Hebreeuwse letters. En aan het eind van het pad stuit ik op een monument voor de Joden uit Brzezin die zijn omgekomen tijdens de holocaust. Het monument ligt bezaaid met groene glasscherven.
In Warschau zijn de restanten van het Joodse leven zorgvuldig in kaart gebracht en zichtbaar gemaakt. Hier in het grijze Brzezin ontfermt niemand zich over deze herinnering aan een verdwenen bevolkingsgroep.

Brok grafsteen

Monument op begraafplaats

12 feb 2013

Talbot House


Juni 2010 - In de Eerste Wereldoorlog is er hevig gevochten in de heuvels rondom Ieper. In Poperinge, een stadje in de relatief rustige zone ten westen van Ieper, konden de Britse soldaten bijkomen van de verschrikkingen aan het front. Ze vergeleken de kleine provincieplaats graag met Parijs, frequenteerden de cafe’s en kochten snuisterijen voor hun liefjes thuis.

Twee aalmoezeniers begonnen in Poperinge een club voor de soldaten, Talbot House. Hier deden rangen en standen er niet toe. Everyman’s Club’ stond op het uithangbord. Bezoekers konden er boeken lenen – tegen inlevering van hun pet, muziek maken of a good cup of tea drinken.
Talbot House bestaat nog steeds. Het wordt gerund door vrijwilligers uit Groot-Brittanie en je kunt er voor een schappelijke prijs overnachten.

Als we aanbellen bij het grote witte pand in de Gasthuisstraat worden we vriendelijk ontvangen door een Schot op leeftijd. We checken in en mogen naar onze kamer op de first floor. Maar als we de trap zijn opgelopen, kijken we verward om ons heen. Dit lijkt meer op een museum dan op een gastenverblijf. Links zien we de kamer waar soldaten en officieren gezamenlijk thee dronken, rechts staat de kast waar ze boeken leenden. Wel zijn er vier kamers met bedden, maar je gaat toch niet slapen in een museum? Toch is een van die kamers – the Dunkirk room – onze kamer. We gaan wel slapen in een museum.
Aan het eind van de middag zitten we in de prachtige diepe tuin achter Talbot House. Op verschillende plekken staan bankjes. Pioenrozen, lavendel, lelies en rode papaver bloeien, in de grote rode beuk koeren duiven. Je hoopt dat de soldaten hier het front echt even konden vergeten.
‘s Nachts vinden we het helemaal niet erg dat we onze kamer moeten verlaten voor een bezoekje aan de wc. Het museum is van ons! Wel houden we de volgende ochtend de deur goed gesloten. Het is niet de bedoeling dat vroege museumbezoekers ons in ons nachthemd zien.

Talbot House heeft een grote keuken waar gasten gratis gebruik van kunnen maken. Reisgenoot J. haalt ‘s ochtends broodjes, kaas en jus d’orange bij de Spar verderop in de straat en we zetten water op voor thee. Op een zonnige ochtend in juni ontbijten in de tuin van Talbot House is een bijzondere ervaring.
Dan moeten we de zolder van het pand nog bekijken. Daar is een kleine kapel ingericht die er nog precies zo uitziet als bijna honderd jaar geleden. Hier konden de soldaten een dienst bijwonen of zich terugtrekken om te bidden voor een behouden thuiskomst.
Ook lopen we door de tuin naar de tentoonstellingsruimte die een wel zeer impressionistisch beeld geeft van de Eerste Wereldoorlog. ‘In het In Flanders Fields Museum in Ieper kom je alles te weten over de oorlog,’ belooft J.
Als we de grote deur van Talbot House achter ons dicht trekken, weten we dat we terug zullen komen.
Meer informatie op de website van Talbot House.


11 feb 2013

Dagelijks herdenken


Juni 2010 - Als we op zaterdagavond om kwart voor acht bij de Menenpoort aankomen is het er al druk. Ongeveer tweehonderd mensen, voornamelijk Britten, hebben zich aan weerszijden van de straat onder de gewelven van de poort opgesteld. De Menenpoort maakt deel uit van de stadswallen van Ieper. Met zijn lengte van meer dan veertig meter en hoogte van 25 meter waan je je in een kerk. In de muren staan de namen van meer dan vijftigduizend Britse mannen die bijna honderd jaar geleden in deze regio zijn omgekomen en wiens lichamen nooit zijn teruggevonden. Halverwege beide muren zit een opening die toegang geeft tot trappen die de stadswallen op leiden.
Naast de zuidelijke opening staan mannen met baretten schuin op hun hoofd, een rij medailles op hun revers. Naast de noordelijke staan zeven mannen die kleurige vaandels vasthouden. ‘The Kings Regiment 1685-2006‘ staat op een ervan. Halverwege de trappen liggen bloemenkransen gemaakt van plastic poppies. De klaprozen zijn, dankzij het gedicht ‘In Flander Fields’ van John McCrae, het symbool geworden van de Eerste Wereldoorlog.

‘In Flanders fields the poppies blow. Between the crosses, row by row.’ 

Om vijf voor acht sluiten agenten de straat af. Vier mannen met bugels stellen zich op onder de poort, naast hen een doedelzakspeler in vol ornaat. Om precies acht uur spelen de blazers ‘The Last Post’ in de richting van het centrum van hun stad die totaal werd verwoest in het eerste jaar van de oorlog. De akoestiek van het gewelf is prachtig. Als de laatste klanken zijn weggestorven, stapt een man uit het publiek naar voren en declameert met luide stem de bekendste regels uit het gedicht ‘For the fallen‘ van Laurence Binyon:
‘They shall not grow old, as we grow old; age shall not weary them, nor years condemn. At the going down of the sun and in the morning.'  


Na zijn woorden is er een minuut stilte, dan is de doedelzakspeler aan de beurt. Tegelijkertijd zet zich een stoet mannen in beweging om nieuwe kransen van poppies te leggen op de noordelijke trap. Ter afsluiting laten de blazers het ‘Reveille’ horen.Sinds 1929 speelt dit ritueel zich iedere dag af in Ieper. Iedere avond weer worden onder de Menenpoort om klokslag acht uur de Britse doden van de Great War herdacht.
De poort was meteen na de bouw (1927) omstreden. Hij heeft de vorm van een triomfboog en de Britse dichter Siegfried Sassoon die aan het front bij Ieper had gevochten, vond dit volkomen ongepast. Goed, de Menenpoort is misschien te groot, maar de duizenden namen op de muren maken veel indruk. Het ritueel van de Last Post is sober en wat mij betreft is het zeer gepast dat hier avond aan avond even gedacht wordt aan de doden van deze onvoorstelbare oorlog.