12 feb. 2013

Talbot House


Juni 2010 - In de Eerste Wereldoorlog is er hevig gevochten in de heuvels rondom Ieper. In Poperinge, een stadje in de relatief rustige zone ten westen van Ieper, konden de Britse soldaten bijkomen van de verschrikkingen aan het front. Ze vergeleken de kleine provincieplaats graag met Parijs, frequenteerden de cafe’s en kochten snuisterijen voor hun liefjes thuis.

Twee aalmoezeniers begonnen in Poperinge een club voor de soldaten, Talbot House. Hier deden rangen en standen er niet toe. Everyman’s Club’ stond op het uithangbord. Bezoekers konden er boeken lenen – tegen inlevering van hun pet, muziek maken of a good cup of tea drinken.
Talbot House bestaat nog steeds. Het wordt gerund door vrijwilligers uit Groot-Brittanie en je kunt er voor een schappelijke prijs overnachten.

Als we aanbellen bij het grote witte pand in de Gasthuisstraat worden we vriendelijk ontvangen door een Schot op leeftijd. We checken in en mogen naar onze kamer op de first floor. Maar als we de trap zijn opgelopen, kijken we verward om ons heen. Dit lijkt meer op een museum dan op een gastenverblijf. Links zien we de kamer waar soldaten en officieren gezamenlijk thee dronken, rechts staat de kast waar ze boeken leenden. Wel zijn er vier kamers met bedden, maar je gaat toch niet slapen in een museum? Toch is een van die kamers – the Dunkirk room – onze kamer. We gaan wel slapen in een museum.
Aan het eind van de middag zitten we in de prachtige diepe tuin achter Talbot House. Op verschillende plekken staan bankjes. Pioenrozen, lavendel, lelies en rode papaver bloeien, in de grote rode beuk koeren duiven. Je hoopt dat de soldaten hier het front echt even konden vergeten.
‘s Nachts vinden we het helemaal niet erg dat we onze kamer moeten verlaten voor een bezoekje aan de wc. Het museum is van ons! Wel houden we de volgende ochtend de deur goed gesloten. Het is niet de bedoeling dat vroege museumbezoekers ons in ons nachthemd zien.

Talbot House heeft een grote keuken waar gasten gratis gebruik van kunnen maken. Reisgenoot J. haalt ‘s ochtends broodjes, kaas en jus d’orange bij de Spar verderop in de straat en we zetten water op voor thee. Op een zonnige ochtend in juni ontbijten in de tuin van Talbot House is een bijzondere ervaring.
Dan moeten we de zolder van het pand nog bekijken. Daar is een kleine kapel ingericht die er nog precies zo uitziet als bijna honderd jaar geleden. Hier konden de soldaten een dienst bijwonen of zich terugtrekken om te bidden voor een behouden thuiskomst.
Ook lopen we door de tuin naar de tentoonstellingsruimte die een wel zeer impressionistisch beeld geeft van de Eerste Wereldoorlog. ‘In het In Flanders Fields Museum in Ieper kom je alles te weten over de oorlog,’ belooft J.
Als we de grote deur van Talbot House achter ons dicht trekken, weten we dat we terug zullen komen.
Meer informatie op de website van Talbot House.


11 feb. 2013

Dagelijks herdenken


Juni 2010 - Als we op zaterdagavond om kwart voor acht bij de Menenpoort aankomen is het er al druk. Ongeveer tweehonderd mensen, voornamelijk Britten, hebben zich aan weerszijden van de straat onder de gewelven van de poort opgesteld. De Menenpoort maakt deel uit van de stadswallen van Ieper. Met zijn lengte van meer dan veertig meter en hoogte van 25 meter waan je je in een kerk. In de muren staan de namen van meer dan vijftigduizend Britse mannen die bijna honderd jaar geleden in deze regio zijn omgekomen en wiens lichamen nooit zijn teruggevonden. Halverwege beide muren zit een opening die toegang geeft tot trappen die de stadswallen op leiden.
Naast de zuidelijke opening staan mannen met baretten schuin op hun hoofd, een rij medailles op hun revers. Naast de noordelijke staan zeven mannen die kleurige vaandels vasthouden. ‘The Kings Regiment 1685-2006‘ staat op een ervan. Halverwege de trappen liggen bloemenkransen gemaakt van plastic poppies. De klaprozen zijn, dankzij het gedicht ‘In Flander Fields’ van John McCrae, het symbool geworden van de Eerste Wereldoorlog.

‘In Flanders fields the poppies blow. Between the crosses, row by row.’ 

Om vijf voor acht sluiten agenten de straat af. Vier mannen met bugels stellen zich op onder de poort, naast hen een doedelzakspeler in vol ornaat. Om precies acht uur spelen de blazers ‘The Last Post’ in de richting van het centrum van hun stad die totaal werd verwoest in het eerste jaar van de oorlog. De akoestiek van het gewelf is prachtig. Als de laatste klanken zijn weggestorven, stapt een man uit het publiek naar voren en declameert met luide stem de bekendste regels uit het gedicht ‘For the fallen‘ van Laurence Binyon:
‘They shall not grow old, as we grow old; age shall not weary them, nor years condemn. At the going down of the sun and in the morning.'  


Na zijn woorden is er een minuut stilte, dan is de doedelzakspeler aan de beurt. Tegelijkertijd zet zich een stoet mannen in beweging om nieuwe kransen van poppies te leggen op de noordelijke trap. Ter afsluiting laten de blazers het ‘Reveille’ horen.Sinds 1929 speelt dit ritueel zich iedere dag af in Ieper. Iedere avond weer worden onder de Menenpoort om klokslag acht uur de Britse doden van de Great War herdacht.
De poort was meteen na de bouw (1927) omstreden. Hij heeft de vorm van een triomfboog en de Britse dichter Siegfried Sassoon die aan het front bij Ieper had gevochten, vond dit volkomen ongepast. Goed, de Menenpoort is misschien te groot, maar de duizenden namen op de muren maken veel indruk. Het ritueel van de Last Post is sober en wat mij betreft is het zeer gepast dat hier avond aan avond even gedacht wordt aan de doden van deze onvoorstelbare oorlog.

10 feb. 2013

Lippenhuizen


In 1958 krijgt mijn vader een vaste aanstelling als onderwijzer in Hemrik en we verhuizen naar Lippenhuizen, een dorp dat op dat moment uit twee straten bestaat. De Buorren is de doorgaande weg van Gorredijk naar Hemrik. Dwars daarop staat de Buosterwyk, die doodloopt op de gelijknamige vaart. De Buosterwyk komt uit in de Opsterlandsche Compagnonsvaart, in de vorige eeuw een belangrijke vaarweg voor turfschepen. Op de Buosterwyk leer ik schaatsen.

Ingrijpend
In de tien jaar dat wij in Lippenhuizen wonen, verandert het dorp ingrijpend. Tegenover ons huis wordt een lagere school gebouwd. De oude school, aan de Buorren, wordt een gymlokaal. Er komen twee straten bij die van het eind van de Buosterwyk met een bocht weer naar de Buorren lopen, de een linksom, de ander rechtsom. Hier worden natuurlijk huizen gebouwd. Als ik naar de kleuterschool ga zijn die straten er nog niet. ’s Zomers loop ik door de weilanden achter ons huis naar de kleuterschool, ’s winters loop ik door het dorp. Bij de Centra – Wobbe zeggen wij, want de winkel is van Wobbe – naar rechts en verderop weer naar rechts.

Knikkers
In de jaren zestig heeft het dorp nog veel kleine winkeltjes. Naast de Centra is er nog een kruidenierszaak, op de Buorren is een bakker, een slager, melkboer Blaauw, de manufacturenwinkel van Nane Mulder en een winkeltje waar je huishoudelijke artikelen en speelgoed kunt kopen, Oosterbos. Ik koop er mijn knikkers en kijk altijd verlangend naar het dejeuneetje in de etalage. Zo’n bordje met bijpassende kop en schotel zou ik ook graag willen. Tegenover de Centra, op de andere hoek van de Buorren en de Buosterwyk, staat nog steeds een cafe. Hier zat vroeger een luik in de muur waar we ijsjes voor een dubbeltje kochten, waterijsjes waar je de kleur zo uit kon zuigen.

FAMILIEKRONIEK - Geboortehuis Saakje Braaksma


Januari 2011 - Omdat ik vorig weekend toch in Leeuwarden was, maakte ik een tocht door de omgeving om research te doen voor mijn familiekroniek. Waar bijvoorbeeld stond het huis waar mijn beppe Saakje Hilverda-Braaksma werd geboren en waar ze in de jaren zestig woonde met haar moeder Trijntje en haar broer Aebe?
Het moet aan de Harlingerstraatweg liggen, tussen Dronrijp en Zweins, aan de rechterkant van de weg. Is het het huisje tegenover die boerderij? Het ligt zoveel lager dan de weg dat het maar deels zichtbaar is.
Ik maak een paar foto’s, maar twijfel. Ik herken het puntdak links niet, en als ik dichterbij kom, zie ik ook dat er geen echte sloot voor het huisje is zoals in mijn herinnering.
Voor het raam staat een vrouw naar me te kijken. Ik daal een trapje af naar de deur en wacht tot ze opendoet. Ze vertelt me, met een Oost-Europees accent, dat haar vriend er nu dertig jaar woont. Dat kan kloppen, want Aebe – die er als laatste woonde – is rond 1980 overleden.
Het is het juiste huisje, hoor ik later van mijn achterachterneef Jouke die is opgegroeid in Dronrijp. Het gebouwtje met puntdak zal er later zijn bijgebouwd. Ook is de kans groot dat de dakkapel nog niet zo oud is.
Maar afgezien daarvan, dit is het dus, het huis waar Saakje Braaksma op 13 april 1903 werd geboren.

FAMILIEKRONIEK - De timmerman van Herbaijum


Op onze speurtocht naar onze voorouders komen Joke en ik terecht in Herbaijum, het dorpje ten westen van Franeker waar in 1859 mijn overgrootmoeder Sjoukje Feikema werd geboren als de oudste dochter van timmerman Pieter Feikema en boerendochter Eelkje Terpstra. Herbaijum is echt klein, er wonen tegenwoordig slechts 258 mensen.
Ook Sjoukjes grootvader Willem Feikema was timmerman in Herbaijum. In het kadaster van 1832 staat dat hij land bezit achter de hervormde kerk van het dorp, met een huis, een erf, een boomgaard, een timmerschuur en werkplaats. De kans is groot dat Pieter het timmermansbedrijf van zijn vader Willem heeft overgenomen en dat het gezin waarin Sjoukje opgroeit achter het kerkje woont, in het huis met de boomgaard en de werkplaats. Ook toen had het dorp niet meer dan 250 inwoners. 

Grafstenen
Herbaijum is een compact dorp, de huizen staan dicht op elkaar rondom de lage terp waarop het hervormde kerkje staat, te midden van een klein kerkhof. Als we met de auto zo dicht mogelijk bij het kerkje proberen te komen, rijden we ons vast in een steeg. We vinden een parkeerplaats aan de westkant van het dorp en lopen langs een grasveld naar het kerkje. ‘De bleek’, zegt Joke. Waarschijnlijk heeft ze gelijk en legden de huisvrouwen en dienstmeiden vroeger op dit vierkante stuk gras hun lakens en slopen in de zon om te bleken.
De muren van het kerkje zijn van gele baksteen. De ingebouwde toren, van rode baksteen, is kort. Bovenop de toren staat een lange spits waarop een weerhaantje pronkt. De oorspronkelijke toren was veel langer en stomp, maar is in 1825 ingekort en bekroond met de huidige spits.
We lopen rondom over het kerkhof en bekijken de grafstenen, maar vinden geen bekende namen. Wel stuiten we op de grafzerk van de schilder Jopie Huisman en zijn vrouw Ietje Magré. ‘Hetgeen niet is, kan niet geteld worden’ staat erop. Huisman begon in 1963 een groothandel in lompen en metalen in Herbaijum. In datzelfde jaar had hij in Harlingen zijn eerste schilderijententoonstelling.

Opzichter Pieter Feikema
Naast de deur van het kerkje is een grote lichtgrijze steen ingemetseld waarop we lezen dat de kerk  in 1872 is vernieuwd. De namen van de kerkvoogden worden genoemd en die van de architect, de opzichter en de aannemer. En daar komen we eindelijk een bekende naam tegen. De opzichter is P. Feikema, de vader van onze overgrootmoeder Sjoukje, de timmerman van Herbaijum. Hij moet het kerkje van haver tot gort hebben gekend, de constructie van het schip, het wat wankele torentje, de paar grafstenen in de vloer. Hij moet alle balken van het dak hebben gecontroleerd op rot of andere defecten. De verbouwing van 1872 moet ingrijpend zijn geweest, alleen de noordmuur bestaat nog uit de oorspronkelijke kloostermoppen. Op internet vind ik enkele foto’s van het interieur van het kerkje. De muren zijn wit gepleisterd, ook de kerkbanken zijn wit geschilderd. Het houten preekgestoelte is donkergroen.

Schoonzonen
De timmerman van Herbaijum heeft vijf dochters, geen zonen. De zusjes van mijn overgrootmoeder Sjoukje heten Riemke, Saapke, Tietje en Jantje. De vijf zussen gaan naar de lagere school in Herbaijum. Als ze dertien zijn en de school verlaten, hoeven ze niet aan de slag als dienstmeid. Op de huwelijksaktes van de vijf meisjes Feikema staat bij hun naam ‘zonder beroep’. Er is geen schoonzoon die het timmermansbedrijf van Pieter Feikema kan overnemen. Sjoukje trouwt met kooltjer Sjoerd Tilstra, die de pachter wordt van de boerderij aan de Headyk in Dronrijp. Sjoerd Tilstra is niet onze overgrootvader, maar dat is een ander verhaal.
Riemke trouwt met timmermansknecht Jan van de Witte die later een eigen zaak heeft in Schalsum. Saapke trouwt met Jouw Hiemstra uit Ried, die een boerenbedrijf heeft. Tietje trouwt met onderwijzer Wybe Postma uit Arum. En Jantje trouwt met bakker Lourens Herrema uit Tzummarum.