22 sep 2026

Familiekroniek - Voormoeder Grietje Herkes Miedema, herbergiersche

De grootmoeder van moederskant van mijn pake Johannes Nieuwenhuis heet Akke Dijkstra. Haar moeder, de overgrootmoeder van mijn pake, is Grietje Herkes Miedema. Wat mij fascineert aan Grietje is dat ze rond 1845 herbergiersche is in Franeker. Ik zie een grote herberg voor me met een glimmend gelakte tapkast, maar de realiteit is veel anders weet ik dankzij de mooie website van het Historisch Centrum Franeker. De herberg zal er heel eenvoudig hebben uitgezien.

Café en stalhouderij van Foppe Uilkes Otter (1905)

Herberg met woning 
Grietje Miedema wordt geboren in 1812 in Dongjum, een dorp ten noorden van Franeker. Als ze twee jaar is, overlijdt vader Herke. Twaalf jaar later hertrouwt moeder Akke met kooltjer Anne Berends Dijkstra uit Tzummarum. Akke is werkster. Grietje trouwt in 1836 met boerenknecht Nanning Sipkes Dijkstra uit Schalsum. Schalsum ligt ten oosten van Franeker. Ze krijgen drie kinderen: Akke, Aaltje en Sipke. Nanning neemt in 1843 een herberg in Franeker over van de vrouw van de vorige eigenaar, Riemer Hilarides. Herberg met woning zijn net gebouwd, want de vorige herberg is in 1837 door brand verwoest. Het adres was destijds Kaatsveld 1, nu is het Stationsweg 1. Hier komt de Harlinger Trekvaart vanuit Leeuwarden Franeker binnen, een uitstekende locatie voor een herberg. 
Helaas overlijdt Nanning drie maanden later. 

Kasteleinse
Nu haar man dood is, runt Grietje de herberg. Volgens de Franeker historicus Gerard van der Heide stond ze haar mannetje. In de rubriek Terug in de tijd op de facebookpagina van het restaurant Poort van Franeker schrijft hij: “Lastige en dronken personen werden persoonlijk door haar buiten de deur gezet. Slecht een enkele keer was politiehulp nodig.”
Ik ben benieuwd wat er werd geschonken. Bier? Jenever? Berenburg? En werden er maaltijden geserveerd?
In 1845 hertrouwt Grietje met Oene Jans Kooistra. Zij is kasteleinse, hij is tapper en herbergier. Ze krijgen twee dochters, Durkje en Jantje. In 1857 overlijdt Oene Jans. Drie jaar later hertrouwt Grietje met Pieter Hiddes Anema.
Grietje schenkt drank tot 1861. Ook verdient ze geld als koemelkster. Zoon Sipke overlijdt in 1867, hij verdrinkt in de Harlinger Trekvaart bij de wipper. In 1873 overlijdt Grietje, ze is 60 jaar. 

Schuitenjager
Dat haar oudste dochter Akke in 1859 is getrouwd met schuitenjager Tiete Nieuwenhuis is logisch. Schuitenjagers hielden zich vaak op bij herbergen om klandizie te krijgen. Hier schreef ik over Tiete Nieuwenhuis. Met dit herbergverleden is het misschien ook wel logisch dat mijn overgrootvader Enne (1863-1934), de oudste zoon van Akke en Tiete, nogal van een slokje hield. Het verhaal gaat dat hij, voordat hij in Franeker aangifte ging doen van de geboorte van zijn zoon Johannes (mijn pake), eerst iets ging drinken en toen de verkeerde geboortedatum heeft doorgegeven. Johannes werd geboren op 8 mei, maar in het geboorteregister staat 9 mei. 

Poort van Franeker
Ook tegenwoordig is er een café-restaurant op Stationsweg 1, met de toepasselijke naam Poort van Franeker. Dit pand is gebouwd in 1927. Daarvoor was het Hotel Bleeker en daarvoor Stationsbrug/Café Otter.
De oudste foto van het café en stalhouderij op Stationsweg 1 (zie hierboven) dateert uit 1905, zo’n halve eeuw nadat Grietje er de scepter zwaaide. De herberg waar Grietje werkte is in 1888 door brand verwoest. Het pand op de foto is dus van na die brand. Wat zou het leuk zijn als er nog ergens een prent van het café te vinden is uit de tijd dat Grietje er de boel bestierde.

De foto is afkomstig van de website van Historisch Centrum Franeker.

21 sep 2026

Familiekroniek - Voormoeder Saakje Hesselius

Dankzij mijn familieverhalen op dit blog krijg ik soms foto’s van voorouders toegestuurd, foto's die ik nog niet kende. Een tijdje geleden stuurde een nazaat van de familie Kuperus uit Berlikum me een aantal foto’s waarop ook de beppe van mijn beppe Saakje staat: Saakje Hesselius.
Het aardige is dat ik trekken van mijn vader zie in deze betovergrootmoeder. 

Sybren Kuperus en Saakje Hesselius

Dienstmeid
Saakje Hesselius is geboren in maart 1848 in Dronrijp. Haar vader is Jan Jentjes Hesselius, gardenier en haar moeder is Antje Martens Hoekstra. Antje is negen keer bevallen, maar alleen Saakje en haar jongere broer Jentje worden volwassen.
Saakjes vader overlijdt in 1863, hij is nog maar 38 jaar. In mei 1864, ze is zestien jaar, is Saakje dienstmeid bij gardenier Gerhardus de Cock in Dronrijp. Drie jaar na de dood van haar vader overlijdt ook haar moeder, in april 1866. Saakje is achttien jaar en woont en werkt als dienstmeid bij logementhouder Jelle Faber Schoonlingen in Beetgum. In februari van dat jaar werkt ze ook als dienstmeid bij gardenier Rembardus de Cock in Dronrijp. Waarschijnlijk is Rembardus de zoon van de Gerhardus waar ze eerder werkte.
Omdat Saakje nog niet volwassen is als ze wees is geworden, komt ze onder voogdij van haar ooms Tjitze Jentje Hesselius en Wijtze Martens Hoekstra.

Machinist
In 1870 trouwt Saakje in Franekeradeel met bakkersknecht Sybren Dirks Kuperus uit Berlikum die doopsgezind is. Ze wonen allebei in Ried. Later wordt Sybren Dirks machinist, waarschijnlijk bij de zuivelfabriek in Berlikum, de plaats waar ze na hun huwelijk zijn gaan wonen.
Saakje en Sybren krijgen tien kinderen, één ervan overlijdt jong. Het vijfde kind, Trijntje, is mijn overgrootmoeder. (Op de foto hieronder achterste rij, tweede van rechts.)

Saakje overlijdt in december 1925 in Sint-Jacobiparochie, ze is 77 jaar. Sybren Dirks sterft precies een jaar later, in december 1926, ook in Sint-Annaparochie. Hij is 84 jaar. Waarschijnlijk woonden Saakje en Sybren de laatste jaren van hun leven bij hun oudste dochter Antje.

Saakje en Sybren en hun negen kinderen

Over de achternaam Hesselius
Als we verder zoeken in de stamboom Hesselius komen we voorvader Bernardus tegen die in 1660 is geboren in Franeker. Hij is van 1687 tot 1693 predikant in Dongjum. Zijn vader heet Hessel. Omdat Bernardus, of Beern in het Fries, een opleiding tot predikant volgt, wordt zijn patroniem Hessel verlatijniseerd tot Hesselius. Ook Bernardus’ zoon Gentius (Jentje) is predikant, te Edens en Spannum. Op de gevelsteen van de kerk van Spannum staat zijn naam genoemd. Gentius is de betovergrootvader van Saakje Hesselius.

Gevelsteen kerk Spannum (foto Wopke Hoekstra)



14 sep 2026

Familiekroniek - Armoedzaaier Hafniks

Akte naamsaanneming Havveniks 1811

Soms is een achternaam maar een heel kort leven beschoren.

In 1811 neemt Gatse Ages, één van mijn Friese voorvaderen, in Minnertsga de achternaam Havveniks aan. Waarschijnlijk om duidelijk te maken dat hij maar een armoedzaaier is. Gatse Ages Havveniks is geboren in 1763 en woont in Tzummarum. Hij ondertekent de akte met een kruisje. Een jaar later komt hij voor in de lijst van stemgerechtigden onder de achternaam Hafniks.

Samen met zijn vrouw Minke Sybrens Wassenaar heeft Gatse Ages zes kinderen: Sybren, Age, Pietje, Lykeltje, Baukje en Maaike. De kinderen vinden hun achternaam maar niks en nemen later de naam van hun moeder aan: Wassenaar.

Baukje wordt nog wel Hafniks genoemd als ze in 1825 trouwt met Doede Pieters Alkema. Ze ondertekent de akte met Baukje Gatzes. Ook jongste dochter Maaike, mijn voormoeder, gebruikt de naam Hafniks als ze in 1835 trouwt met gardenier Dirk Fokkes Kuperus. Ze ondertekent de huwelijksakte niet, want ze kan niet schrijven.

Als Maaike in september 1859 overlijdt, wordt ze nog Hafniks genoemd. Ook bij het overlijden van Baukje in mei 1863 wordt de achternaam nog gebruikt. Als Baukje is overleden is er niemand meer die Hafniks heet.

De achternaam Havveniks of Hafniks heeft 52 jaar bestaan, van 1811 tot en met 1863.

 

30 jun 2023

Station Hofplein

Per 1 januari 1991 kreeg ik een baan in Den Haag. Vanuit Groningen verhuisde ik naar het Oude Noorden in Rotterdam. Op 7 januari, mijn eerste werkdag, stapte ik voor het eerst van mijn leven op station Hofplein in de trein die me naar Den Haag Centraal zou brengen. Dit was de Hofpleinlijn die in Rotterdam over een viaduct de stad doorkruiste. Bij station Wilgenplas tuurde ik naar buiten, benieuwd naar hoe de plas eruit zou zien. Maar in het donker zag ik niets. Verderop verbaasde ik me over het oranje licht dat boven het landschap hing. Later leerde ik dat dit het licht was van de kassen bij Bleiswijk.

De Wilgenplas
De Wilgenplas heb ik nooit gezien, maar ik lees nu op de website Rotterdam Bouwt dat de plas is ontstaan doordat zand werd afgegraven dat in 1908 nodig was om de spoorbaan aan te leggen. Ene meneer Poot zag recreatiemogelijkheden in de plas, legde rondom wilgen aan en de naam Wilgenplas was geboren. Een paar jaar later maakte hij er een modern openluchtbad van dat in 1931 werd geopend. In 1960 werd het bad gesloten omdat de ziekte van Weil was uitgebroken. Zeven jaar later werd een deel van de plas gedempt voor de aanleg van de Van Hogendorpweg. Er rest nog een kleine plas, maar die was niet zichtbaar vanuit de trein.

Randstadrail
In 1996 verhuisde mijn werk naar Delft en reisde ik vanaf Rotterdam Centraal. Omdat ik afgelopen weken bezig was met een artikel over voormalige treinstations, vond ik het tijd weer eens een kijkje te nemen bij station Hofplein.
De Hofpleinlijn bestaat niet meer. Het spoortraject is omgebouwd tot een metrotraject dat in 2006 werd geopend. Deze Randstadrail vertrekt vanaf Rotterdam Centraal. Station Hofplein is al lang buiten gebruik.

Catalogusnr 170099/Collectie Het Utrechts Archief

Art-nouveaustijl
Station Hofplein, opgeleverd in 1908, was een half-cirkelvormig gebouw in art-nouveau stijl en omvatte ook het befaamde café-restaurant Loos. Het gebouw werd verwoest tijdens het bombardement van 14 mei 1940. Stationsarchitect Van Ravesteyn ontwierp in 1956 een zakelijk gebouw voor station Hofplein dat in niets leek op het oude station. Dit station werd begin jaren negentig gesloopt toen de Willemspoortunnel werd aangelegd. Hoewel ik begin jaren negentig een paar keer per week op de trein stapte bij station Hofplein, kan ik me niets herinneren van dat zakelijke gebouw. Ik herinner me alleen nog de winderige perrons boven op het spoorviaduct.

Hofbogen
Het viaduct van het oude spoor heeft de naam Hofbogen gekregen en herbergt nu café’s en tal van andere - vaak creatieve - ondernemingen. Op station Hofplein is een tuin aangelegd met veel fruitbomen. De tuin ziet er nu, juni 2023, nogal verdord uit. Naast de tuin staan nog steeds de oude perrons met overkapping en bankjes. Op het viaduct is niets terug te zien van de spoorrails, er ligt nu asfalt. Ooit waren er plannen om hierboven een stadspark aan te leggen, maar het is de vraag of dat er ooit van komt. 


18 nov 2022

Isaac Lipschits dook onder bij het gezin Balt

In 2008 kregen alle Rotterdammers een boekje in hun brievenbus: ‘Onbestelbaar. Herinneringen in briefvorm aan de Jodenvervolging in Rotterdam,’ geschreven door Isaac Lipschits. Het boekje kwam uit ter gelegenheid van de Holocaust Memorial Day op 27 januari.
Lipschits werd geboren in 1930 en groeide op in de Agniesestraat in Rotterdam-Noord, op nummer 59-b. Hij en zijn broertje Alex waren de enigen van het gezin die de Tweede Wereldoorlog overleefden omdat ze konden onderduiken. Isaac in Friesland, Alex in Zeeland. In de stoep voor het huis in de Agniesestraat liggen vier stolpersteine, ter nagedachtenis aan hun ouders en hun broers Maurits en Jacob.


De stolpersteine bij Agniesestraat 59-b.

Coen Balt
Ik had het boekje nog nooit gelezen, maar omdat ik me voor een theaterproject ga verdiepen in de Jodenvervolging in Rotterdam, sla ik het eindelijk eens open en doe een bijzondere ontdekking. Op pagina 42 schrijft Lipschits: “Zo kwam ik op de boerderij van de familie Balt op de Oude Bildtdijk. Oom Coen, tante Aaltje en hun vier zoons Cees, Jippe, Jan en Thijs. In dat gezin ben ik met liefde en met begrip opgenomen.” De Joodse jongen krijgt een andere identiteit; hij wordt Cornelis de Boer en gaat gewoon naar de lagere school en later naar de mulo.
Coen Balt, die naam ken ik. Die staat in het foto-album dat mijn vader heeft gemaakt van oude familiefoto’s waarbij hij namen heeft gezet. Ik zoek de foto op. Coen Balt is de zoon van Kees/Cornelis Balt en Antje Kuperus. Antje is de oudste zus van mijn overgrootmoeder Trijntje Kuperus. Voor alle zekerheid check ik de stamboom van de familie Balt die ik op internet vind, en inderdaad, het is dezelfde Coen Balt. Coen Balt is dus een neef van mijn beppe Saakje, die een dochter is van Trijntje Kuperus.
Ik vraag me af of mijn beppe dit onderduikverhaal kende. Ik weet ook niet hoe nauw de banden tussen de familie Balt en de familie Hilverda waren. De familie Balt woonde aan de Oude Bildtdijk bij Sint-Jacobiparochie, de familie Hilverda woonde in Dronrijp. Wel heeft mijn vader bij de foto van het gezin Balt geschreven dat Jan, de zoon van Coen, goed accordeon kon spelen. Elders lees ik dat Jan en Thijs naam maakten met Bildtstalig cabaret.


Het gezin van Kees Balt en Antje Kuperus. Rechts Coen Balt.

Hij kon geen onrecht zien
In een interview met Isaac Lipschits in de Volkskrant van 16 maart 2002 vertelt hij meer over het onderduikgezin. “Oom Coen kreeg geld van de illegaliteit om mij te herbergen. Toen ik wegging in '45, gaf hij me een bankspaarboekje. Al het geld stond erop. Hij was arm, maar had geen cent voor zichzelf gehouden. Zo'n man was het. Hij kon geen onrecht zien.” In het interview noemt Lipschits ook de beppe die altijd aan het koken was. Dat was Antje Kuperus, die na de dood van haar man in 1935 bij haar zoon was ingetrokken.
Omrop Fryslan maakte in 2008 een korte documentaire waarin Lipschits teruggaat naar de boerderij op de Oude Bildtdijk en waarin de zonen van Coen Balt vertellen over de oorlogstijd.
Isaac Lipschits gaat politieke wetenschappen studeren en wordt hoogleraar eigentijdse geschiedenis aan de universiteit van Groningen. In 2000 begint hij Digitaal Monument Joodse Gemeenschap in Nederland, de voorloper van de website Joods Monument. Hij overlijdt in 2008.
Het boekje ‘Onbestelbaar’ is hier te lezen.

11 nov 2022

De onderduiker

Op 10 en 11 november 1944 voeren Duitsers in Rotterdam en Schiedam 52.000 mannen af naar Nederlandse en Duitse Arbeitslager waar ze onder vaak vreselijke omstandigheden moeten werken. Ook elders in het land moeten mannen tussen de 17 en 40 jaar zich melden voor de Arbeitseinsatz. Maar veel mannen zijn door de razzia’s in Rotterdam en Schiedam gewaarschuwd en duiken onder. 


Bevel voor de Arbeitseinsatz

Schuilplek
In november 1944 is mijn vader 13 jaar, zijn broer Rients is net 16 geworden. Ze wonen met hun moeder Saakje op een kleine boerderij aan de Headyk in het Friese dorp Dronrijp. Op een avond komt oud-onderwijzer meester Meijer langs en vraagt Saakje of ze een onderduiker op de boerderij kan hebben: de Amsterdamse freelance journalist Anton Kiburg, net 23 jaar, die wil ontkomen aan de Arbeitseinsatz. De boerderij ligt op enkele honderden meters afstand van de Headyk en biedt daarom een goede schuilplek. Saakje stemt toe.


Luchtfoto van de boerderij

Spinnenwiel
Voor mijn vader en zijn broer Rients is de roodharige onderduiker een venster op de wereld. Anton heeft boeken bij zich en vindt het leuk zijn kennis te delen met de jongens. Voor het boerenwerk is hij niet sterk genoeg, maar hij is handig met het spinnenwiel. Dreigt er gevaar, dan slaapt hij in een hok op het land van de buurman, of hij overnacht samen met Rients in het hooi.

Bevrijd
Op 15 april 1945 rijdt de eerste Canadese gevechtswagen Leeuwarden binnen. Friesland is bevrijd. Anton Kiburg sluit zich aan bij de geallieerde strijdkrachten. Hij stuurt foto’s van zichzelf in uniform naar Saakje en de jongens. Begin 1950 emigreert hij naar Australië, met het schip de Volendam. Hij houdt altijd contact met Saakje en haar zonen.

Anton Kiburg in uniform

Leven gered
In 2006 overlijdt Anton. Omdat zijn verblijf op de boerderij volgens hem zijn leven heeft gered, wilde hij graag dat zijn as wordt verstrooid op de grond waar de boerderij tot 1958 heeft gestaan. Zijn vrouw en zoon reizen in 2007 naar Friesland om die wens ten uitvoer te brengen. Mijn vader is dan al overleden, maar mijn tante Annie, weduwe van Rients, vergezelt hen, bijgestaan door haar vriend Gosse die is opgegroeid op een naburige boerderij en precies weet waar de boerderij heeft gestaan. 

6 feb 2022

Familiekroniek - Voormoeder Trijntje Jacobs van der Heide, schippersche

Als ik mijn voormoederlijke lijn volg kom ik uit bij enkele generaties schippers. Trijntje Jacobs van der Heide is de overgrootmoeder van mijn grootmoeder Mine Nieuwenhuis.

In 1806 wordt op een schip in de haven van Bergum wordt op 15 april een meisje geboren. Het is het vierde kind van schipper Jacob Klazes en Antje Jans. Ze noemen het meisje Trijntje. Over Antje Jans schreef ik hier.
In 1829, ze is 23 jaar, krijgt Trijntje een dochter die ze Antje noemt. Ze is niet getrouwd, maar als vader wordt genoemd schipper Eelke Johannes Groothelm uit Leeuwarden. Twee jaar later krijgen Trijntje en Eelke een zoon: Johannes.

Vriesche schutterij
In januari 1833 trouwen Trijntje en Eelke in Leeuwarden. De kinderen Antje en Johannes worden gewettigd. In de huwelijksakte staat dat Eelkes ouders toestemming hebben gegeven aan de Militie. Eelke is schutter bij het eerste bataljon van de mobiele Vriesche schutterij. Het eerste bataljon wordt gevormd door de schutterijen van Bolsward, Dokkum, Franeker, Harlingen, Leeuwarden en Workum. In augustus 1833 overlijdt Eelke in het militair hospitaal in Leeuwarden. Trijntje is hoogzwanger. De dochter die ze op 11 september krijgt noemt ze dan ook Eelkje.

Jouke Everts Wijkstra
Vier jaar later krijgt Trijntje in Leeuwarden een dochter met schipper Jouke Everts Wijkstra: Jacobje. Jouke Everts Wijkstra is de zoon van turfschipper Evert Eits Wijkstra uit Blija en Minke Johannes Klink uit Ferwerd. Hij is geboren in Metslawier. Zijn vader Evert Eits is eerst arbeider, maar in 1828 schipper wonende op een schip te Gorredijk. Hij heeft een houten snik met de naam Zelfde te Huis.
In januari 1848 trouwen Trijntje en Jouke Everts eindelijk. De drie kinderen die ze samen hebben worden bij het huwelijk gewettigd. Een jaar later wordt Minke, mijn betovergrootmoeder, geboren op een schip dat in Deinum ligt. In 1851 wordt nog een dochter geboren: Antje. 

Schippersleven
Het zal een hard leven geweest zijn op het schip. Veel kinderen, weinig ruimte, hard werken. Als er geen wind staat moet het schip worden getrokken en 's winters als het stevig vriest ligt het schip vast in het ijs en kan er nauwelijks iets worden verdiend. Hier kun je iets lezen over het leven van turfschippers.

het roefje

Nauw verweven schippersfamilies
De families Van der Heide, Groothelm en Wijkstra zijn nauw met elkaar verweven. Trijntjes twee jaar jongere zus Tjitske van der Heide krijgt vier kinderen met Eit Everts Wijkstra, een broer van Jouke. Trijntjes zes jaar oudere broer Klaas van der Heide krijgt kinderen met Tjitske Johannes Groothelm, een zus van Eelke Johannes Groothelm.
Aukje, een dochter van Eit Everts Wijkstra en Tjitske van der Heide trouwt in 1870 zelfs met haar neef Jacob, een zoon van Klaas van der Heide en Tjitske Johannes Groothelm. Jacob is ook schipper.

Schippersche
In januari 1854 overlijdt Jouke Everts Wijkstra in Leeuwarden. Hij is nog maar 42 jaar,  Trijntje is 47 jaar. Na de dood van haar echtgenoot blijft ze varen. Haar zonen zijn nog jong, maar zullen haar zeker hebben bijgestaan. Johannes, de zoon van Eelke Groothelm is al 23 jaar. Hij zal pas tien jaar later trouwen, dus wellicht werkt hij ook mee op het schip dat nu wordt bestierd door zijn moeder.
Trijntjes zonen - Johannes, Klaas, Evert en Jan - worden allen schipper. Hier kun je meer lezen over Klaas en Jan. Op de foto hieronder zien we Klaas Wijkstra, hij staat voor de giek en draagt een zwarte hoed.
Ook haar dochters trouwen met schippers. Al haar kinderen blijven in Friesland wonen, behalve jongste dochter Antje die in 1883 met haar man Kornelus Mulder en hun zes kinderen naar Amsterdam vertrekt.
Vanaf 1874 woont Trijntje in Kubaard. Ze is dan 67 jaar en nog steeds schippersche. Ze overlijdt in 1889 te Tzum, gemeente Franekeradeel, 83 jaar oud.