16 okt 2015

Excelsior, vakantiehuis voor arbeiders

In mijn jeugd woonde ik op Ameland. Een aantal gebouwen leek onlosmakelijk verbonden met het eiland: de vuurtoren, de losstaande kerktoren in Nes en vakantiehuis Excelsior. Excelsior lag in de duinen ten zuiden van camping Duinoord. Het was een laag en langgerekt houten gebouw met kleine raampjes en een rieten dak dat harmonieerde met de omringende duinen. Excelsior hoorde niet alleen bij ons eilander leven in de jaren zeventig en tachtig, al veel eerder hoorde het bij het leven van mijn socialistische grootouders die woonden in de buurt van Leeuwarden.

Niet om het gewin, maar voor het gezin
De geschiedenis van Excelsior dateert van 1898. Dan begint een groep SDAP-ers uit Leeuwarden onder de naam Coöperatieve Productie en Verbruikersvereniging Excelsior een bakkerij aan het Vliet. De bakkerij levert brood aan aangesloten winkels in de stad. Het wordt een succes. De klanten kunnen bonnetjes sparen waarmee ze recht op dividend hebben. ‘Niet om het gewin, maar voor het gezin’ is de slagzin van de coöperatie. Excelsior is Latijn voor ‘steeds hoger’.
Al snel breidt Excelsior haar assortiment uit met onder meer groenten, fruit, zuivel, brandstof, kleding en schoenen. Op het hoogtepunt van haar bestaan bevoorraadt de coöperatie zeventig winkels. De coöperatie belandt in de jaren zestig in een neergaande lijn, de besluitvorming is te traag en de winkels kunnen niet concurreren met de supermarkten.
In 1973 stopt de coöperatie en worden de winkels verkocht aan supermarktketen Edah.

Vakantiehuis 
De coöperatie laat in 1926 een eigen vakantiehuis bouwen op Ameland, Excelsior. Hier kunnen de kinderen van leden van de coöperatie hun vakantie doorbrengen. Het is zo’n succes dat het drie jaar later uitgebreid kan worden met een hotel/pensiongedeelte dat is bestemd voor arbeidersgezinnen en vrouwengroepen. De ouders van mijn moeder waren lid van de SDAP. In hun fotoalbum vind ik kiekjes van uitstapjes naar Ameland en dit groepsportret. Het is onmiskenbaar een vrouwengroep, maar het opschrift van het bord dat een paar vrouwen op de eerste rij vasthouden, kan ik niet lezen.
De coöperatie gaat in 1978 failliet en vakantiehuis Excelsior wordt verkocht. In 1992 wordt het afgebroken.


Waar is Excelsior gebleven?
Met Pasen ben ik een paar dagen op Ameland. Ons huisje staat niet ver van de plek waar ooit Excelsior stond en ik neem een kijkje. Herinnert er hier nog iets aan dit stukje socialistische geschiedenis? Vanaf camping Duinoord wandel ik in zuidelijke richting en stuit op appartementencomplex Ostrea, een blokkendoos die net zo goed aan de Costa del Sol had kunnen staan. Het enige wat over is van het socialistische vakantiehuis is het weggetje van rode klinkers dat het vakantiehuis ooit verbond met de Strandweg: de Excelsiorstraat.

De Excelsiorstraat
Vakantiehuis
Als ik mijn zus vertel hoe jammer ik het vind dat alles is verdwenen, zegt ze: “Het woonhuis van Excelsior bestaat nog, het staat in de polder.” Op tweede paasdag rijden we ter hoogte van de Ballumerbocht de polder in. En daar staat inderdaad een huis dat sprekend lijkt op het oude Excelsior. Later vind ik op internet dat het huis in 1993 is gekocht door de Ballumer Piet Nobel. Hij heeft het destijds over het strand laten vervoeren van Nes naar de parkeerplaats bij de strandovergang van Ballum, waar het een tijdje heeft gestaan in afwachting van de juiste vergunningen. Het is nu een vakantiehuis voor acht personen, een houten huis met witte kozijnen. Het dak is niet bedekt met riet, maar met gewone dakpannen.


Deze blog verscheen eerder op de blog van Geschiedenislab.

13 okt 2015

Marianne in Rio

Onderweg naar de veerboot die ons naar Niterói zal brengen, stuiten we op een imposant gebouw. Rio de Janeiro grossiert niet in oude gebouwen, dus besluiten we dat de ferry wel even kan wachten, bestijgen de trappen en geven ons op voor een gratis rondleiding in het Engels.

Palácio Tiradentes
Sterrenhemel
Het gebouw is het Palácio Tiradentes. In de jaren twintig werd er veel gebouwd in Rio en lieten architecten zich graag inspireren door Parijs. Zo is het Theatro Municipal een kopie van de Parijse Opéra. Het Palácio Tiradentes kwam gereed in 1926 en zou niet misstaan in Parijs.
Tot 1960 was dit het parlementsgebouw van Brazilië, toen moest Rio als hoofdstad van het land plaatsmaken voor Brasilia. Vanaf het balkon waar het publiek mocht zitten, bekijken we de zaal waar het parlement vergaderde. Boven de zaal is een reusachtige blauwe glazen koepel die de sterrenhemel weergeeft van de nacht van 15 november 1889, de dag waarop Brazilië een republiek werd met een eigen regering.

De sterrenhemel op 15 november 1889
Lauwerkrans
In een andere zaal wijst de gids, een jonge student, ons op de schilderingen op het plafond. Recht boven ons zien we een vrouw. Hij laat ons even gissen wie het zou kunnen zijn en vertelt dan dat het Marianne is. Het zinnebeeld van de Franse Revolutie, de personificatie van de Vrijheid, was voor de jonge republiek een bron van inspiratie. En nog steeds is Marianne nauw verbonden met Brazilië, want de gids vertelt ons dat ze is afgebeeld op de Braziliaanse munt, de real. Ik open meteen mijn portemonnee en ja, daar is ze, inclusief lauwerkrans.

Marianne op de real
Tandentrekker
Palácio Tiradentes is genoemd naar Joaquim José da Silva Xavier (1746-1792), een van de leiders van een revolutionaire beweging die streefde naar onafhankelijkheid van Portugal. Voor de Brazilianen is hij een nationale held. Zijn bijnaam was Tiradentes, dat tandentrekker betekent. Het Palácio is gebouwd op de grond waar vroeger de oude gevangenis stond waar Tiradentes gevangen werd gehouden.
Het gebouw huisvest nu de wetgevende macht van de staat van Rio de Janeiro.

7 okt 2015

Castelo de Garcia D’Ávila – cultureel erfgoed in Brazilië

Naast de ruïne staat een zeshoekige kapel waarvan de witte muren schreeuwen om een likje verf. De akoestiek binnen is indrukwekkend, maar het is de vraag of er wel eens een zanger of muziekensemble gebruik van maakt. Binnen zijn de muren okerkleurig met oranjebruine randen. Het gewelf boven het altaar is beschilderd als een jacobsschelp.

De kapel
Casa da Torre
Ruïne en kapel staan op een heuvel aan de overig vlakke kust ten zuiden van het toeristische plaatsje Praia do Forte, in de Braziliaanse deelstaat Bahia. Het is een strategische plek, ooit gekozen door de Portugees Garcia D’Ávila, die zijn bezit wilde verdedigen tegen invallen van Hollanders en Spanjaarden.  Garcia D’Ávila was de rechterhand van de Tome de Souza, de eerste gouverneur van Brazilië. Hij mag met recht een grootgrondbezitter worden genoemd, het stuk land waarvan hij de eigenaar was besloeg maar liefst 800.000 km2, zo’n tien procent van Brazilië. In 1551 liet hij op de heuvel een toren bouwen, het eerste Portugese militaire gebouw in Brazilië. Vanaf de toren kon, met vuursignalen, worden gecommuniceerd met schepen.
Van de toren is niets meer over, maar het huis wordt, naast Castelo de Garcia D’Ávila, ook wel Casa da Torre genoemd. Naast de toren werd een gefortificeerd huis gebouwd. Waarschijnlijk is de naam Praia do Forte te herleiden tot dit fort. Het fort was het vertrekpunt van veel expedities naar de binnenlanden van het noordoosten van Brazilië.

Tekening van de toren
Opgravingen
Tussen 1999 en 2010 heeft de Fundação Garcia D’Ávila ervoor gezorgd dat de ruïne en de kapel werden gerestaureerd en toegankelijk gemaakt voor bezoekers. Het terrein is nu vele malen kleiner dan in de zestiende eeuw: tien hectare.
Via een metalen trap klimmen we, mijn Braziliaanse metgezel Marcio en ik, naar de eerste verdieping en bewonderen het uitzicht: hoge kokospalmen en de Atlantische Oceaan.
In het grasveld voor de ruïne lopen we langs opgravingen die resten van stenen muren laten zien. Hoorde dit bij het castelo? Was hier een woonhuis? Vragen die onbeantwoord blijven, want in de expositieruimte zijn enkel verbleekte foto’s van de opgravingen te zien en een paar artists impressions waarop we Portugese soldaten ontwaren.

Palmen en de oceaan
Archeologische vindplaats
Bij de entree van het terrein van Castelo de Garcia D’Ávila staat een portiershok met een portier die toegangskaartjes verkoopt en even verderop staat een mooi bezoekerscentrum. Maar bij de bar kun je niets kopen, in het gedeelte dat bestemd is om producten te verkopen die gemaakt zijn door de lokale bevolking, zien we alleen houten zeilbootjes in de vitrine en de archeologische vondsten in de expositieruimte staan te verstoffen.
Marcio weet dat er een informatieve video bestaat. We gaan zitten in de audiovisuele ruimte en op ons verzoek haalt een van de suppoosten de film. Na enig gepruts krijgt hij de apparatuur aan de praat. Het commentaar bij de film is in het Portugees en wordt niet vertaald. Het enige wat ik versta is, dat dit een van de grootste archeologische vindplaatsen is van Brazilië.

Bootjes in vitrine
Erfgoed toegankelijk maken
Het Castelo de Garcia D’Ávila is een mooi voorbeeld van waarom er structurele ondersteuning nodig is om erfgoed toegankelijk te maken. Niet alleen voor toeristen uit eigen land, maar ook voor buitenlandse toeristen. Ik weet dat Brazilië urgentere problemen heeft om op te lossen, maar toch lijkt het me mooi als hier een tentoonstelling is die me – in het Engels – het verhaal vertelt van Garcia D’Ávila, van de torre en het castelo, van de Hollanders die de kust van Bahia belagen en van de teloorgang van het huis. En dat er afspraken worden gemaakt met de hotels en pousadas in Praia do Forte en dat er bussen zijn die toeristen vervoeren van Praia do Forte naar hier. Per slot van rekening is dit een van van de grootste archeologische vindplaatsen van Brazilië.

Entree terrein
Ficus als amfitheater
En tot slot wil ik klassieke concerten in de kapel en theatervoorstellingen onder de meer dan een eeuw oude Ficus Guapa. Want eigenlijk is deze grillige en indrukwekkende boom het mooiste wat het terrein te bieden heeft. Met zijn enorme takken vormt de Ficus een half amfitheater waar het publiek kan zitten op een lange halfronde stenen bank. Wordt dit prachtige natuurlijke theater ooit als zodanig gebruikt? Marcio weet alleen dat het bezoekerscentrum in de avonden vooral wordt verhuurd voor bruiloften en partijen.

Ficus Guapa vormt amfitheater

Met dank aan Marcio Nogueira die de informatie uit de video voor me vertaalde.

5 okt 2015

WANDELING - Dromen en daden in Ommoord

Het thema van de maand van de geschiedenis is dit jaar ‘Tussen droom en daad’. De Historische Vereniging Prins Alexander vulde dit op 3 oktober in met een dag over stedenbouwkundige Lotte Stam-Beese, die in 1946 werd aangesteld als stadsarchitect van Rotterdam. Ik wandelde mee door de Rotterdamse nieuwbouwwijk Ommoord.

Wederopbouw
Aan het eind van de ochtend staan Lidwine Spoormans van Studio LS en Astrid Karbaat, adviseur cultureel erfgoed Stadsontwikkeling Rotterdam, klaar om met een groep belangstellenden op zoek te gaan naar de dromen en daden van Lotte Stam-Beese in Ommoord, een wijk in het Rotterdamse gebied Prins Alexander. Volgend jaar staat de wederopbouw centraal in Rotterdam. Ommoord, waar vijftig jaar geleden, in 1965, de eerste paal in de grond werd geslagen, is aangewezen als wederopbouwaandachtsgebied.
Het gebied dat ontstond op de tekentafel van Lotte Stam-Beese, vormt nu het hart van Ommoord en kenmerkt zich door hoge flats en veel groen.

Perspectieftekening Lotte Stam-Beese
Beschutting
Als eerste wandelen we naar de Kelloggplaats en blijven staan op een wandelpad tussen de voor deze wijk zo karakteristieke galerijflats. Het grasveld tussen de flats heeft net een maaibeurt gehad – de laatste van het seizoen? – en sommige bomen krijgen al herfstige tinten.
Lotte Stam-Beese, die jarenlang in de Sovjet Unie woonde en werkte, had radicale ideeën over hoe mensen zouden moeten wonen, en die ideeën paste ze toe in Ommoord. Groen vond ze belangrijk. De grasvelden tussen de flats kunnen we dan ook zien als één groot groen tapijt.
De flats zijn door Stam-Beese zo geplaatst dat ze beslotenheid en beschutting bieden, maar ook ruimte geven aan mooie zichtlijnen. Bomen en struiken verzachten de harde lijnen van de flats. Om de overgang van het grasveld en naar de flats minder abrupt te maken, staan er struiken voor de bakstenen muren waarachter de bergingen zitten.


Toegangsweg
Via de President Rooseveltweg, die ten zuiden van het hoogbouwdeel van Ommoord ligt, lopen we verder. Hoge platanen omzomen deze brede doorgangsweg die aan beide kanten fietspaden heeft. Het hoogbouwdeel van Ommoord wordt omringd door een vierkant van toegangswegen, in het oosten de Martin Luther Kingweg, in het noorden de President Wilsonweg en in het westen de John Mottweg. In de wijk zelf liggen geen doorgaande wegen, het is de metrolijn die de wijk toegankelijk maakt.

President Rooseveltweg 
Economisch brandpunt
Bij de Zernikeplaats is vorig jaar een vijver gegraven die nu alweer is overwoekerd. De meningen van ons gezelschap over dit stukje wilde groen zijn verdeeld. De een vindt dit het maar niets, de ander wijst enthousiast op de bloeiende klaver, de zuring en het boerenwormkruid.
We lopen verder naar het overdekte winkelcentrum De Binnenhof en het gelijknamige metrostation, het einde van lijn A. Hier is één van de economische brandpunten van Ommoord. Een brandpunt is een punt waar de voorzieningen (winkels) samenkomen met de infrastructuur (metro). Ook een ideaal van Stam-Beese.

De Binnenhof
De core van Ommoord
Een begrip waar visionaire stedenbouwkundigen als Stam-Beese en architecten in de jaren zestig stevig over discussieerden, was core (kern). Onder core verstonden ze hoe mensen samenleven en op elkaar betrokken zijn. Dit core-gevoel zou juist bij de economische brandpunten moeten ontstaan.
“Waar vinden jullie de core van Ommoord?” wordt aan de Ommoorders in het gezelschap gevraagd. “De Romeynshof,” zegt een mevrouw met rode jas. “Daar is een bibliotheek en daar kun je naar voorstellingen. Een cultureel centrum, dat is het hart van een wijk.” Helaas zijn het juist deze wijkvoorzieningen die de de gemeente momenteel af wil stoten. Daarvoor in de plaats komen Huizen van de Wijk, waar wijkbewoners zelf activiteiten kunnen organiseren.

De Wijktuin
Mysterieus
We lopen door het overdekte winkelcentrum. “We noemen dit rollatorcity,” fluistert de mevrouw in rode jas me toe. De populatie van Ommoord is de afgelopen jaren sterk vergrijsd. Veel mensen die hier toen gingen wonen, waren zo tevreden dat ze de wijk nooit hebben willen verlaten.
In de wijktuin van Ommoord lijken de flats ineens ver weg achter de hoge bomen. In het bruine water van de vijver kwaken de eenden luid, in de hoop gevoerd te worden.

Aan het eind van de wandeling vragen onze gidsen of we iets hebben ontdekt over Ommoord. “Ik vind Ommoord mysterieus,” is een heel verrassend antwoord. “Je weet nooit wat je om de hoek zult zien en je wordt steeds verrast.”

17 mei 2015

FAMILIEKRONIEK - De boerderij op de Headyk

Mijn vader groeide op in Dronrijp, in een boerderij die eeuwenlang op de Headyk stond maar die in 1958 werd afgebroken. Na de dood van mijn vader in 2007 reed ik een paar keer naar de Headyk, op zoek naar de plaats waar de boerderij stond.

De boerderij begin jaren vijftig
It hússtee
Op 1 januari 2011 kom ik op de Headyk een oudere man tegen. In het Fries vraag ik hem of hij weet waar de boerderij van Hilverda heeft gestaan. Hij vertelt me dat hij nog maar 34 jaar in het dorp woont, maar dat hij een vogelaar is die de weilanden en akkers van haver tot gort kent. Daar, wijst hij, daarachter bij die keet is een dam en via die dam kom je op een akker waarin puin ligt. Iedere keer als er is geploegd, zijn de stenen weer omhoog gewerkt. “Ik noem dat stukje land ‘it hússtee’,” zegt hij, “omdat er een huis heeft gestaan.”
Langs een sloot lopen diepe sporen van trekkerwielen het weiland in. De sporen staan vol water. Het pad is afgesloten met een ijzeren hek. Tamme, zoals de man zich heeft voorgesteld, kijkt naar mijn schoenen die duidelijk niet waterdicht zijn. Zelf draagt hij laarzen. “Je kunt beter in de lente terugkomen. Het land is nu zo nat omdat de vorst nog in de grond zit. Het water kan niet weg.”
 
Hier stond de boerderij
Scherven
Meer dan een jaar later, in mei 2012, komt het er eindelijk van en lopen mijn zus en ik langs de sloot naar het stuk land waar ooit de boerderij stond. We zien meteen dat dit de plek is die Tamme it hússtee noemde.
De stenen barsten de kleigrond bijna uit, alsof ze zichzelf omhoog wringen, op zoek naar het daglicht. Kleine gele bakstenen, met een randje cement. Brokken rode vloerplavuizen met restanten donkergroen glazuur. Stukjes van de Friese tegels die achter de kachel de muur beschermden tegen hitte. Maar ook scherven van serviesgoed en voorraadpotten. Wit, delftsblauw, groen, grijs, roodbruin.

De stenen wringen zich naar boven
We lopen gebogen over de bouwgrond, zoeken tussen de brokken wit uitgeslagen kleigrond en verdorde resten van maïsplanten naar tastbare sporen van het verleden. Van de brokstukken proberen we in gedachten een keuken te bouwen, een woonkamer, een kast met delftsblauw serviesgoed, koffiekopjes, een kelder met voorraadpotten, stevige muren die de warmte van de koeienlijven en de geur van het hooi vasthouden.

Scherf van een tegeltje
Onze zakken zitten vol scherven en stukken steen, onze handen zijn wit van de klei, maar we kunnen niet stoppen. Tegelijkertijd weten we dat hoeveel stenen we ook oprapen, het zal nooit genoeg zijn om de verdwenen boerderij opnieuw te kunnen opbouwen.

11 mei 2015

FAMILIEKRONIEK - Schuitejager in Franeker

Mijn overgrootvader Enne Nieuwenhuis werd in 1863 geboren in Franeker, als zoon van Tiete Nieuwenhuis en Akke Dijkstra. Tiete was de zoon van een kooltjer, een akkerbouwer die zich toelegt op de teelt van tuinbouwproducten als uien, wortelen, aardappelen en natuurlijk kool. Akke was de dochter van de Franeker herbergier Nanne Dijkstra.
Tiete en Akke moeten blij zijn geweest met Enne, want in de jaren ervoor heeft Tiete twee keer aangifte moeten doen van een doodgeboren jongetje. In de aangifte in 1859 van het eerste levenloos geboren kind staat dat het kind ter wereld is gebracht in ‘de huizing wijk K.V. nummer Een e, alhier’. De gemeentearchivaris van Franeker vertelt me dat K.V. staat voor Kaatsveld en dat de straat tegenwoordig Oud Kaatsveld heet. Op de plek waar destijds huisnummer 1e stond is nu huisnummer 19 te vinden.
Na Enne bevalt Akke nog vijf keer, twee keer van levende kinderen, Nanning en Jaatje, en drie keer van levenloze kinderen. Bij de laatste twee aangiften staat weer een adres: de wijk T.N., huisnummer 61. Dit is nu Eise Eisingastraat 22.

Oud Kaatsveld
In mei 2012 gaan mijn zus en ik op zoek naar de twee huizen waar Tiete en Akke in ieder geval hebben gewoond. Het huis dat nu op Oud Kaatsveld 19 staat is gebouwd in de jaren dertig, maar op een oude ansichtkaart uit 1917 staat het oude huisje nog wel, in een rijtje met vrijwel identieke huisjes, allemaal twee verdiepingen hoog. Het rijtje bevindt zich net buiten het bolwerk dat het oude centrum omringt, in een wat mindere buurt, zoals de archivaris me heeft gezegd. Aan het eind van de straat lag de Harlinger Trekvaart, een belangrijke vaarroute tussen Harlingen en Leeuwarden.

Oud Kaatsveld
Schuitejager 
Als Tiete in mei 1859 trouwt met Akke is hij boerenknecht. In november van dat jaar, bij de aangifte van het eerste doodgeboren kind, is hij schuitejager ofwel scheepsjager. Een scheepsjager trekt tegen betaling schepen door de vaarten, met een paard of met de eigen spierkracht. Wat de jager verdient hangt af van de grootte van het schip en het gewicht van de lading. Het is geen beroep dat in hoog aanzien staat. De scheepsjagers wachten vaak in een café op hun klanten, iets wat gemakkelijk leidt tot overmatig drankgebruik. De schout van Uithoorn typeert hen als ‘een hoop volk dat over het algemeen behoort tot één der laagste en onordelijkste klassen der maatschappij zonder enige opvoeding of zeden.’ Er is dan ook een wet die het jagen onder invloed verbiedt. Tot 1879 hebben scheepsjagers een vergunning nodig om hun vak uit te oefenen. Veel verdient het niet, het is daarom heel goed mogelijk dat Tiete zich ook liet inhuren als boerenknecht.

Winkelier
In 1868 is Tiete ‘vischerman’, maar een jaar later heeft hij een stap omhoog gemaakt op de maatschappelijke ladder en is hij winkelier. Het gezin woont dan in het centrum van Franeker, in wijk T.N. op nummer 61. T.N. staat voor Ten Noorden van het centrum. De Eise Eisingastraat, zoals de straat nu heet, ligt binnen het bolwerk. Even verderop staat het beroemde planetarium van Eise Eisinga. Dit huis is drie verdiepingen hoog en is duidelijk ooit een winkelpand geweest. Ernaast, op nummer 21, zat het kantoor en de drukkerij van de Franeker Courant.

Eise Eisingastraat
Vischerman
Hoe lang Tiete en Akke een winkel hebben gehad, weet ik niet. In ieder geval is de stap omhoog in 1885 teniet gedaan. In dat jaar trouwt zijn oudste zoon Enne met Aaltje Schotanus uit Minnertsga en is Tiete, dan 51 jaar, opnieuw ‘vischerman’. Ook Enne is visser en ik stel me voor dat vader en zoon samen de wateren van noord Friesland hebben bevist.

3 mei 2015

FAMILIEKRONIEK - Terpzicht, molentje bij Marssum


Even ten zuiden van Marssum, ingeklemd tussen snelwegen en op- en afritten, staat een molentje, Terpzicht. Het is de kleinste spinnenkopmolen van Friesland en misschien wel van heel Nederland. Verderop aan de Hegedyk staat de grote boerderij Terpzicht waarnaar het molentje is vernoemd. Voor 1888, het bouwjaar van het molentje, stond op deze plek ook al een molentje, dat in het bezit was van Catharina van Lynden, een van de grootgrondbezitters in deze regio en ook eigenaar van boerderij Terpzicht. Catharina woonde zelf niet op deze boerderij. De eigenaren van het land in Friesland woonden veelal elders en vaak zelfs buiten de provincie. Catharina woonde met haar echtgenoot in het bosrijke Beetsterzwaag.
Mijn overgrootvader Reinder van der Hogt (1878-1951) was boerenarbeider. Hij werkte voor boer Tolsma in Marssum. Als er onweer dreigde moest hij zijn leven in de waagschaal stellen en door de weilanden lopen om de wieken van dit molentje vast te zetten.
Een paar jaar geleden bezocht ik Terpzicht.
 
Reinder van der Hogt
Als ik voor het molentje sta, probeer ik het asfalt en het geluid van langsrazende auto’s weg te denken en stel ik me voor hoe mijn overgrootvader vanuit het dorp gehaast hier naartoe liep, door de regen, op zijn klompen, de pet diep over de ogen getrokken, de kraag van zijn oude jasje omhoog. Vanaf de Binnenbuorren zal het ongeveer een half uur lopen zijn. Was hij via de Hegedyk gegaan en dan langs boerderij Terpzicht over het dijkje dat nu It Aldlân heet? Of langs het haventje en dan langs de Engelumervaart? Aarzelde hij om de onbeschutte weilanden in te lopen als de bliksem al flitste? Was hij bang? Dacht hij aan zijn vrouw en dochters die ongerust op zijn thuiskomst wachtten? Dacht hij aan boer Tolsma die hoog en droog op zijn boerderij zat? Of dacht hij alleen aan het molentje dat kraakte en knarste onder het geweld van de windvlagen?

Terpzicht in 1978
Nu ziet Terpzigt er goed uit, zorgvuldig zwart gebeitst en met nieuwe wieken, maar in de jaren zeventig van de twintigste eeuw stond hij er verwaarloosd bij. Slechts één roede stak spookachtig omhoog, de andere was tijdens een storm afgebroken. Niemand bekommerde zich meer om het molentje als de lucht dichttrok. Gelukkig ontfermde begin jaren tachtig de stichting Molens in Menaldumadeel zich over Terpzicht. Het kreeg nieuwe wieken en werd gerestaureerd. Het is nu weer maalvaardig en heeft zelfs een molenaar.

Het molentje staat op een eilandje, omringd door sloten. Je kunt er alleen vlakbij komen via een plank met een leuning. Maar de smalle brug is afgesloten met een hekje. Dichterbij het molentje kan ik niet komen.