19 nov 2017

Monument Meistaking 1943

Mijn pake, die werkte bij zuivelfabriek De Eendracht in Marssum, vertelde wel eens dat ze in de oorlog ooit de melk weg hadden laten lopen in de sloten, als protest tegen een maatregel van de Duitsers. Pas jaren later, toen hij al was overleden, raakte ik geïnteresseerd in dit verhaal en kwam erachter dat het de Molkestaking in april-mei 1943 betrof. Elders wordt het de April-mei staking genoemd, of, wanneer de protestacties iets later begonnen, de Meistaking. Iedereen kent de Februaristaking, maar de April-meistaking, die misschien even heldhaftig was, vond vooral plaats op het platteland en is relatief onbekend.
Half november van dit jaar kom ik in de Appèlbergen, niet ver van Glimmen, een aangrijpend monumentje tegen voor slachtoffers van de Meistaking.

Monument in de Appèlbergen
Molkestaking
Aanleiding voor deze staking is de aankondiging, eind april 1943, van generaal Christiansen, bevelhebber van het Duitse bezettingsleger, dat alle Nederlandse dienstplichtige militairen terug moeten in krijgsgevangenschap. De verontwaardiging is groot. In Hengelo, bij de machinefabriek van Stork, begint een staking die zich al snel uitbreidt over het hele land. Het is een plattelandsstaking, die in Friesland de annalen zal ingaan als de Molkestaking, omdat vooral de boeren geen melk meer leveren aan de zuivelfabrieken en de medewerkers van zuivelfabrieken de wel geleverde melk weg laten lopen in de sloten. De stakingen beginnen op 29 april en eindigen op 7 mei.

Standrecht
De Duitsers voeren als tegenreactie het standrecht in. Dat betekent dat men zonder vorm van proces kan worden doodgeschoten. Dat gebeurt ook. De Duitsers nemen nog meer harde maatregelen. Mannelijke studenten die weigeren een loyaliteitsverklaring te ondertekenen, moeten zich melden voor tewerkstelling in Duitsland. Vierduizend gehoorzamen, de rest duikt onder. Ook mannen die geboren zijn tussen 1920 en 1924 moeten zich melden voor de arbeidsinzet.

Richtingaanwijzer
Monument in de Appèlbergen
Als ik tijdens een fietstocht van Haren richting Zuidlaren bij paviljoen Appèlbergen koffie heb gedronken, zie ik ineens een groen uitgeslagen richtingaanwijzer die verwijst naar een monument voor de Meistaking 1943. Ik loop een eindje het bos in en kom bij een vennetje waar op een grote, bijna hartvormige steen, een aantal namen staan. Op de linker plaquette staat onder vijftien namen: 'Zij liggen in dit veenmoeras begraven, maar zijn nooit gevonden'. Op de rechter staan negentien namen en ‘Bij deze plek zijn zij in 1945 teruggevonden en elders begraven’.

Steen met plaquettes
Vermisten terugvinden
Op de website www.4en5mei.nl/oorlogsmonumenten lees ik het verhaal achter het monument. De Duitsers hebben in de drie noordelijke provincies zestig mensen gedood om de staking neer te slaan. Van 34 werd het lichaam meegenomen naar een onbekende plek. Deze plek was hier, bij het Grote Veen, in de Appèlbergen, een voormalig militair oefenterrein. Eind 1945 zijn er negentien slachtoffers gevonden. Er zijn diverse pogingen gedaan om alle vermisten terug te vinden, zelfs nog in 1991 hebben de Koninklijke Luchtmacht en de Technische Universiteit hier bodemonderzoek gedaan, maar niets gevonden. Ook niet in 2003, toen delen van het moeras werden drooggelegd.

Het monument is in 2004 onthuld en gemaakt door Paul Engberts, met een zwerfkei die uit het Drentse aarde is gehaald, zodat de namen van de slachtoffers uit het moeras zijn gehaald.

7 okt 2017

Zes sterren en een doornenkrans

In 2001 schreef ik 'Wapenfeiten', een boekje over de stadswapens van een aantal Zuid-Hollandse steden. In het boekje staan ook wandelingen langs de stadswapens.

Het wapen van Gouda

Van keel, beladen met eenen pal van zilver, en vergezeld, ter wederzijde van drie zespuntige sterren van goud, staande in den zin van den pal. Het schild gedekt met eene kroon met vijf fleurons, alles van goud, en omgeven van eene doornenkrans. Voorts vastgehouden door twee klimmende Leeuwen in hunne natuurlijke verwen en onder hetzelve het oude motto: 'Per aspera ad astra'.

Vlakbij de Sint-Janskerk stond in de Middeleeuwen de burcht van het adellijke geslacht Van der Goude. De sterren die het stadswapen van Gouda sieren, zijn dan ook afkomstig van het wapen van deze familie die in de veertiende eeuw uit naam van de heersende graaf de heerlijke rechten over de stad uitoefende. Jan van der Goude (1375-1411) voerde een wapen met een horizontale balk, waarboven en onder de sterren waren geplaatst.
De stad gebruikte de sterren vanaf de veertiende eeuw op z’n stadszegels. Eerst zijn het er twee, gescheiden door een paal, in de loop van de vijftiende eeuw worden het er zes.

Het wapen van de stadspoort
Op 24 juli 1816 ontving Gouda het wapendiploma van de Hoge Raad van Adel. Op dit diploma staat het wapen beschreven zoals we het nu nog steeds kennen: rood, met in het midden een zilveren paal, aan beide kanten van de paal drie gouden sterren. Rondom het schild slingert een doornenkrans en op het schild staat een grafelijke kroon. De leeuwen die het schild vasthouden, de zogenaamde schildhouders, staan rechtop en kijken ons aan.
Bij het Goudse wapen hoort sinds 1617 een wapenspreuk: ‘Per Aspera ad Astra’. De letterlijke Nederlandse vertaling hiervan luidt: ‘door bitterheid tot de sterren’, maar vaak werd de spreuk in christelijke termen vertaald als ‘door lijden tot heerlijkheid’. Een logische gedachtengang, want de doornenkrans die het wapenschild omzoomt, is natuurlijk een bij uitstek christelijk symbool.

Gevelsteen Achter de Kerk
‘Per aspera ad astra’ is een mooie spreuk die tot veel gissingen heeft geleid over de herkomst ervan. Ten eerste is het een bijna letterlijke weergave van de sterren en de doornenkrans. Ten tweede stimuleert de spreuk de fantasie: over welk lijden of welke bitterheid wordt hier gesproken?
Ook over de doornenkrans is veel gespeculeerd. Geschiedkundigen brachten de krans bijvoorbeeld in verband met gravin Jacoba van Beieren (1401-1436) die zulke zware tijden doormaakte in Gouda. Zij zou een doornenkrans aan het wapen hebben gegeven ter nagedachtenis aan haar droeve lot. Anderen zagen de doornenkrans als het symbool van de tegenslagen die de stad zelf had doorgemaakt, zoals de grote stadsbranden van 1361 en 1438.

Het wapen op het Oudevrouwenhuis
De Goudse geschiedschrijver C.J. de Lange van Wijngaerden (1752-1820) noemde het verhaal over Jacoba van Beieren ‘verzonnen’ en beargumenteerde dat de doornenkrans een vergissing was. Oude tweesterrige stadszegels waren versierd met een gothische rand en dit had men, volgens hem, ten onrechte aangezien voor een doornenkrans. De doornenkrans komt pas voor het eerst voor op de zegels van 1616. Toen werd dergelijke decoratie niet meer zo begrepen en gotiek vond men maar barbaars.
Ook bij andere stadswapens zien we dat de afbeeldingen soms het resultaat zijn van een misverstand. In het geval van Gouda werd een versiering aangezien voor een doornenkrans en bij deze krans werd een passende wapenspreuk gezocht en gevonden.
In de zeventiende eeuw werden de leeuwen die het wapen vasthouden toegevoegd. Volgens De Lange van Wijngaerden “genomen naar de oude roode leeuwtjes, welke op de pui van het stadhuis het stadswapenschild voor hun hielden.”
Het wapen speelt nog steeds een prominente rol in het gezicht van van de stad. Het beeldmerk van de gemeente bestaat uit het wapenschild met de verticale balk en de zes sterren. De doornenkrans en het devies zijn weggelaten. Wel draagt het wapen een kroon en wordt het vastgehouden door twee leeuwen.

30 sep 2017

Sleutels tot de hemelpoort en een strijdbare leeuw

In 2001 schreef ik 'Wapenfeiten', een boekje over de stadswapens van een aantal Zuid-Hollandse steden. In het boekje staan ook wandelingen langs de stadswapens.

Het wapen van Leiden

In zilver beladen met twee sleutels van keel, geplaatst en sautoir. Het wapen gedekt met eene kroon met vijf fleurons, alles van goud en vastgehouden door twee leeuwen van keel.
Stadswapen op de Korenbeurs
Midden in Leiden staat de Pieterskerk, tegenwoordig een multifunctioneel gebouw, maar eens een belangrijk godshuis. De Pieterskerk is de oudste parochiekerk van de stad. In 1121 lieten de graven van Holland een kapel bouwen die door de Utrechtse bisschop Godebald werd gewijd aan de apostel Petrus. Hiermee werd Petrus de beschermheilige van Leiden en kon zijn symbool - twee gekruiste sleutels - ook het symbool van de stad worden.
Petrus wordt sleutelhouder genoemd omdat in de Bijbel staat dat Jezus hem zei: “Ik zal u geven de sleutels van het Koninkrijk der Hemelen” (Mattheüs 16:19). De paus voert ook een wapen met twee schuin gekruiste sleutels, de ene van goud, de andere van zilver.
De sleutels van het huidige Leidse stadswapen zijn rood op een wit schild, dat wordt vastgehouden door een rode leeuw met opgeheven zwaard. Officieel is het wapenschild zilverkleurig.

Stadswapen op poortje Breestraat
Strijdbare leeuw
In 1816 werd het wapen van Leiden vastgesteld, zoals in de aanhef omschreven, door de Hoge Raad van Adel. Na de Tweede Wereldoorlog, in 1948, wendde het stadsbestuur zich tot de koningin met het verzoek het wapen te veranderen. Aanleiding was een brief van de Vereniging Oud-Leyden, die het college van B&W voorstelde het oude wapen weer toe te passen, dat stond op de stadszegels die vanaf 1587 werden gebruikt. Op deze zegels werd het schild niet vastgehouden door twee leeuwen, maar door een enkele leeuw met een geheven zwaard, een zogenaamde strijdbare leeuw.

De vereniging schreef: “Langen tijd, tot in de 18e eeuw komt het oude voor, tot het ongemerkt gewijzigd werd in het wapen met de twee rustig, contemplatief zittende dieren, hetgeen ook zeker overeenkwam met den geest des tijds. Doch thans, na 5 jaar strijd en ontbering waarvan helaas het einde nog niet in zicht is, zou het martiale wapen een beter in het tijdperk passend merk zijn.” Verder stelde de vereniging voor, omdat Rotterdam en Amsterdam na de oorlog een wapenspreuk hadden gekregen, ook het aloude Leidse devies weer in ere te herstellen: ‘Haec Libertatis Ergo’ - Dit omwille van de vrijheid. Deze spreuk stond na het beleg van Leiden (1574) op het noodgeld dat toen werd gebruikt, als symbool voor het verzet tegen de Spanjaarden. Met het invoeren van de spreuk op het wapen wilde de Vereniging Oud-Leyden het verzet in de Tweede Wereldoorlog, waarin de Leidse Universiteit zo'n grote rol had gespeeld, gedenken.

Stadswapen op de Lakenhal
Burgemeester en Wethouders gaven tekenaar J.P. van der Drift, die ook het wapen van Amsterdam had getekend, opdracht een nieuw wapen met strijdbare leeuw te ontwerpen. Op 25 januari 1950 ondertekende koningin Juliana het Koninklijk Besluit waarbij het wapen van de gemeente Leiden werd vastgesteld. Om de bevolking ook kennis te laten maken met het nieuwe wapen, liet de gemeente kaarten drukken met een afbeelding.
De strijdbare leeuw met zwaard en wapenschild heeft lange tijd het briefpapier van de gemeente getooid. In de jaren zeventig werd het beeldmerk gestileerd naar de smaak van de tijd, maar leeuw en zwaard waren nog steeds herkenbaar. Tegenwoordig is de leeuw eruit verdwenen. Ook nu weerspiegelt de tijdgeest zich in het beeldmerk van Leiden: de sleutels zijn geplaatst in een open deur die symbool staat voor de gastvrijheid van de stad.

3 sep 2017

Château Siaurac

Lichtglooiend landschap met wijngaarden, torenspitsen die boven de heuvels uitsteken, grote huizen van licht zandsteen. We rijden over smalle wegen door de wijnstreek Lalande de Pomerol, niet ver van Bordeaux, op zoek naar Château Siaurac.


Au pair in Parijs
Van september 1978 tot en met juni 1979 was ik au pair in Parijs, bij Malcy Ozannat en haar zevenjarige zoon Jean. Andere au pairs woonden op de chambre de bonne op de zesde verdieping, ik had een kamer in het appartement van de familie, aan de Avenue Bugeaud in het zestiende arrondissement. Jean was lief maar kon erg dwars zijn. Iedere avond moest hij in bad en voerden we dezelfde strijd: hij wilde er niet in en hij wilde er niet uit.

De vader van Malcy was Olivier Guichard, die minister was geweest in de regering De Gaulle en nu burgemeester was van de chique badplaats La Baule. In de paasvakantie moest ik mee naar het wijnlandgoed van de familie Guichard bij Bordeaux: Château Siaurac. Er verbleef nog een au pair, de Australische Pamela, die voor de tweejarige Jeremy moest zorgen, een neefje van Jean. Het huis was groot, de kamers vol meubilair, tapijten en wandkleden wat groezelig. Een slecht onderhouden museum, zo voelde het.


Teveel wijn
In de week voor Pasen mochten Pam en ik samen met de familie eten, aan een grote ronde tafel. We werden bediend in volgorde van belangrijkheid, madame Guichard als eerste, Pam en ik waren het laatst aan de beurt. De conversatie aan tafel ging vooral over anderen. En madame Guichard merkte iedere keer op dat Pam en ik teveel wijn dronken tijdens het diner.
Toen met Pasen Olivier Guichard ook aanwezig was, moesten Pam en ik met de kinderen in de keuken eten, samen met het personeel. Wel werden we - de au pairs - na de maaltijd uitgenodigd in een kamer waar een borrel werd geserveerd en de heren sigaren rookten.


Vlakbij Néac vinden we Château Siaurac. Het huis is groot, veel groter dan in mijn herinnering, ook de parkachtige tuin is nog groter dan ik me herinner. Je kunt er nu eten en wijn proeven. In de ontvangstruimte waar wijnflessen te koop staan, vraag ik een personeelslid of het château nog van de familie Guichard is. Ze vertelt dat Olivier Guichard in 2004 is overleden en dat zijn drie dochters, werkzaam als redacteur of journalist, het hebben overgedragen aan een andere eigenaar.


Ik loop over het gazon om op een afstand naar het huis te kijken. Hoe het er van binnen uitzag, weet ik niet meer, wel herken ik het weggetje dat tussen de wijngaarden door naar Néac gaat.
Het is bijna veertig jaar geleden dat ik hier verbleef. Jean is nu 45 of 46. Hoe zou het met hem zijn?

7 jun 2017

FIETSEN NAAR DE ZWARTE ZEE - Dag 1 Rotterdam-Zaltbommel

Sinds ik met mijn koor Eigenwijs uit Gouda een programma heb gemaakt met als titel ‘Hart van Europa’ (2009) over een muzikale tocht van Bratislava naar Sulina droom ik over een fietstocht van Rotterdam naar de Zwarte Zee. Omdat ik dialogen schreef voor ‘Hart van Europa’ las ik het prachtige boek van Claudio Magris over de Donau en las de reportages van Olaf Tempelman over Roemenië.

Om me voor te bereiden op die ambitieuze fietstocht bestudeerde ik landkaarten en fietste langs de rivieren ten oosten van Rotterdam. Op een dag zou ik op mijn fiets stappen en echt oostwaarts rijden.
Het is heel verstandig om grote projecten behapbaar te maken, dus toen mijn zus en ik plannen maakten voor fietstochten, vertelde ik haar over mijn oude droom en besloten we in twee dagen een eerste traject te fietsen. Op dag 1 van Rotterdam naar Zaltbommel en op dag 2 van Zaltbommel naar Nijmegen. En dan met de trein terug naar Rotterdam.
Het vergde opnieuw een nauwkeurige bestudering van de grote rivieren, want wat is de Maas, de Merwede, de Lek, de Waal en hoe loopt de Rijn eigenlijk?

Blaak

Dag 1 - Rotterdam-Zaltbommel
Ik haal mijn zus op bij station Blaak en we fietsen via het Oostplein naar de Maasboulevard. Bij Capelle aan den IJssel steken we via de Algerabrug de Hollandsche IJssel over en rijden over de Tiendweg van Krimpen aan den IJssel naar Krimpen aan de Lek. Daar nemen we het pontje (80 cent) naar Kinderdijk. We laten de beroemde molens links liggen en fietsen over de Oost-Kinderdijk langs de Noord. Het is zondag en in het zwart geklede kerkgangers lopen naar huis. Gelukkig trekt Het Wapen van Alblasserdam zich niets aan van de zondagsrust en drinken we koffie, met uitzicht op de haven. De appeltaart smaakt goed.
Verder fietsen we, naar Papendrecht, waar de Noord overgaat in de Beneden-Merwede en het uitzicht op Dordrecht prachtig is. Het industrieterrein na Papendrecht gaat moeiteloos over in dat van Sliedrecht. We passeren het Baggermuseum, want Sliedrecht is immers de bakermat van de baggeraars. Voorbij Sliedrecht zijn we even het spoor van de fietsknooppunten bijster, maar een vriendelijke voorbijganger wijst ons dat we echt eerst een stuk langs de snelweg moeten fietsen en dat we zo via de rivierdijk in Boven Hardinxveld terechtkomen. We fietsen langs oude scheepswerven en komen aan bij de Boven-Merwede. Via de Nieuwe Wolpherensedijk arriveren we in Gorinchem. Tijd voor lunch!

De Boven-Merwede bij Gorinchem

We gaan zitten op het terras van petit-restaurant Boulevard. Geen verstandige keus. De latte macchiato die ik bestel smaakt bitter, alsof de koffiepot de hele ochtend op een petroleumstelletje heeft staan pruttelen. Er ontspint zich een absurdistische dialoog met de eigenaar die me wel drie keer vraagt waarom de koffie bitter is. Dat weet ik echt niet. Uiteindelijk neemt hij de koffie mee en krijg ik een drankje van de zaak. Als ik binnen afreken, zie ik dat de koffiemachine eruit ziet alsof hij in een bedrijfskantine thuishoort. In deze veredelde snackbar hoef ik geen barrista te verwachten. De uitsmijter smaakte overigens best aardig.

Fort Vuren

Via de Dalemse Dijk fietsen we Gorinchem uit. De industrieterreinen zijn afgelopen, hier heerst het Hollandse rivierenlandschap. Ter hoogte van slot Loevestein, dat aan de andere kant van de rivier ligt, stopt Zuid-Holland en begint Gelderland en verandert de Boven-Merwede in de Waal. Bij Fort Vuren stappen we even af en bekijken een kaart van de Nieuwe Hollandsche Waterlinie. Dan verder over de Waaldijk. Een pontje (85 cent) brengt ons naar Brakel. We passeren Zuilinchem en Gameren en dan is daar Zaltbommel al waar we de kamer van B&B Het Tuinhuis hebben gereserveerd, gerund door een Rotterdamse.
’s Avonds lopen we over de Waalkade, kijken naar de Bommelse brug en leren dat Fiep Westendorp uit Zaltbommel kwam.


7 apr 2017

De afdeling Marssum van de SDAP (deel III)

De gevolgen van de grote oorlog zijn ook voelbaar op het Friese platteland. De werkeloosheid sis groot, net als in de rest van het land. Het aantal leden van de SDAP-afdelingen neemt af, de mensen zijn arm, er is geen geld meer voor contributie. De jaarverslagen van de SDAP-afdeling Marssum 1917 en 1918 ontbreken in het archief. Waarschijnlijk zijn ze nooit geschreven. Ook zijn het roerige jaren voor de SDAP. De Russische Revolutie van 1917 houdt de gemoederen bezig, evenals de mislukte poging van Pieter Jelles Troelstra om in november 1918 in Rotterdam de revolutie uit te roepen.
Het jaarverslag van de afdeling Marssum over de periode oktober 1919 tot oktober 1920 past opnieuw op een klein vel papier. Toch klinkt het als een actief jaar. Er worden negen huishoudelijke vergaderingen gehouden. Op de Meifeestvergadering van 4 mei spreekt H. de Boer uit Leeuwarden voor dertig bezoekers over het onderwerp ‘Meifeest in verband met drankbestrijding’. Onder de Friese socialisten is drankbestrijding een belangrijk onderwerp, alcohol leidde in de arbeidersgezinnen alleen maar tot armoede en ellende.


Woestenij van het kapitalisme
Op 11 juli 1920 doet de afdeling mee aan de gemeentelijke propagandafietstocht. Misschien hebben de SDAP-afdelingen van de dorpen van de gemeente Menaldumadeel zich verenigd en zijn de leden met rode vaandels van dorp naar dorp gefietst om nieuwe leden te winnen.
De Marssummer sociaal-democraten hebben het druk die zomer. Op 18 juli is de afdeling vertegenwoordigd op de socialisatiemeeting in Leeuwarden. In Het Volk, dagblad van de Arbeiderspartij van 18 september 1920 staat over de socialisatiemeetings: “In verschillende deelen des lands hebben in de laatste weken de plaatselijke of provinciale betoogingen plaats gehad tegen de Reaktie die vanuit Den Haag als een golf over ons land gaat, en vóór de Socialisatie, die ons brengen moet vanuit de woestenij van het kapitalisme naar het beloofde land van het Socialisme.”

Winteravonden
Op 15 augustus staat een meeting gepland met de NV en de Bond voor Staatspensionering te Marssum, maar de secretaris schrijft: “Deze is mislukt wegens slechte omstandigheden.” Weersomstandigheden kan hij niet hebben bedoeld, het is die dag weliswaar erg koud voor de tijd van het jaar, vijftien graden, maar het regent niet en er waait een zwakke wind uit het noorden.
Op 10 oktober vergadert de afdeling met met het bestuur van de Bond van Land-, Tuin- en Zuivelarbeiders. Besloten wordt om in de aanstaande winteravonden samen Ontwikkelings- en Cursusvergaderingen te beleggen.
De afdeling heeft vijf nieuwe leden kunnen noteren in het verslagjaar. Twee leden hebben bedankt wegens contributieverhoging, twee wegens vertrek naar elders en drie zonder reden.

Dit is helaas het laatste jaarverslag van de SDAP-afdeling Marssum in het archief van het IISG. Helaas, omdat nu mijn pake Johannes actief wordt. In 1921 is hij 19 jaar en wordt hij zuivelbewerker bij zuivelcoöperatie De Eendracht in Marssum. Het jaar daarop wordt hij lid van de Nederlandsche Bond van Arbeiders in het Landbouw, Tuinbouw en Zuivelbedrijf. Wanneer hij lid wordt van de SDAP en hoe actief hij is, kan ik niet meer achterhalen.

20 mrt 2017

De afdeling Marssum van de SDAP (deel II)

De flinke kracht die de SDAP afdeling Marssum nodig heeft, wordt gevonden in de rode dominee Faber. Jan Lambertus Faber wordt in 1875 geboren in Schouwerzijl in de provincie Groningen. Waarschijnlijk inspireert zijn directeur van de HBS in Warffum hem met socialistische ideeën. Tijdens zijn studie theologie in Groningen verdiept hij zich verder in het socialisme en gaat naar bijeenkomsten met socialistische sprekers. In 1906 wordt hij predikant in Marssum. Eerst twijfelt hij over een socialistische partij, maar als hij wordt gevraagd te helpen met het oprichten van een SDAP-afdeling in Marssum besluit hij niet langer afzijdig te zijn. In 1908 treedt hij toe en wordt bestuurslid van de afdeling. Een jaar later wordt hij ook secretaris van de districtsfederatie Franeker.
Faber wordt gezien als de eerste socialistische dominee. In 1931 wordt hij lid van de Tweede Kamer voor de SDAP. Zijn dochter Ant trouwt in 1933 met de schrijver Menno ter Braak.
In het boekje 'Marssum in oude ansichten' staat een foto uit 1910 van het Marssumer arbeiderskorps Ons Genoegen waar dominee Faber op staat (achterste rij rechts). De korpsleden hebben een instrument in hun hand, hij heeft zijn handen op zijn rug.

Muziekkorps Ons Genoegen in 1910
Petitionnementsactie
Het jaarverslag van 1910 van de SDAP-afdeling Marssum past op de achterkant van een lichtgroene briefkaart die naar het Dagelijks Bestuur in Amsterdam wordt gestuurd. De puntenlijst die de SDAP onder de afdelingen verspreidt om een beeld te krijgen van het aantal leden en de activiteiten, is verloren gegaan, schrijft de secretaris. De afdeling telt dertien leden.
De secretaris meldt het Dagelijks Bestuur dat de petitionnementactie in volle gang is en veel belooft. De actie betreft het Volkspetitionnement voor algemeen kiesrecht. Het zal nog zeven jaar duren voor het algemeen kiesrecht voor mannen wordt ingevoerd, op 12 december 1917. Voor vrouwen geldt vanaf dat moment passief stemrecht, ze mogen wel worden gekozen, maar niet zelf stemmen. In 1919 krijgen ook de vrouwen actief stemrecht.

Affiche Volkspetitionnement
Vlugschriften
Een jaar later, in 1911, is het jaarverslag al iets uitgebreider. Het is geschreven op een vel dat bijna een A4-formaat heeft. De secretaris schrijft dat de afdeling geen openbare vergaderingen heeft gehouden, maar wel vlugschriften verspreid en huisbezoek verricht. De afdeling geeft zelfs een eigen blad uit. Het aantal leden is inmiddels gestegen tot zestien.
In 1912 gebruikt de afdeling eindelijk het officiële SDAP-formulier. De afdeling heeft geen eigen bibliotheek, wel zijn er nu achttien leden waaronder acht vrouwen. Dat is een bijzondere score, ter vergelijking: de afdeling Menaldum klaagt in 1911: “Vrouwelijke leden kunnen we tot dus toe niet krijgen.”
Waarschijnlijk heeft de afdeling Marssum tot dan toe bij een van de leden vergaderd, maar in 1912 krijgen ze toestemming in de oude O.L. School te vergaderen. Het ledental groeit gestaag, in 1916 heeft de afdeling 42 leden waarvan er vier zijn gemobiliseerd. Op 31 juli 1914 waren 200.000 Nederlandse mannen opgeroepen zich te melden voor het leger: de mobilisatie. Het is niet zeker of Nederland betrokken raakt bij de Eerste Wereldoorlog, maar het leger moet paraat zijn.

Lees hier meer over dominee Faber.

Wordt vervolgd