20 mrt 2017

De afdeling Marssum van de SDAP (deel II)

De flinke kracht die de SDAP afdeling Marssum nodig heeft, wordt gevonden in de rode dominee Faber. Jan Lambertus Faber wordt in 1875 geboren in Schouwerzijl in de provincie Groningen. Waarschijnlijk inspireert zijn directeur van de HBS in Warffum hem met socialistische ideeën. Tijdens zijn studie theologie in Groningen verdiept hij zich verder in het socialisme en gaat naar bijeenkomsten met socialistische sprekers. In 1906 wordt hij predikant in Marssum. Eerst twijfelt hij over een socialistische partij, maar als hij wordt gevraagd te helpen met het oprichten van een SDAP-afdeling in Marssum besluit hij niet langer afzijdig te zijn. In 1908 treedt hij toe en wordt bestuurslid van de afdeling. Een jaar later wordt hij ook secretaris van de districtsfederatie Franeker.
Faber wordt gezien als de eerste socialistische dominee. In 1931 wordt hij lid van de Tweede Kamer voor de SDAP. Zijn dochter Ant trouwt in 1933 met de schrijver Menno ter Braak.
In het boekje 'Marssum in oude ansichten' staat een foto uit 1910 van het Marssumer arbeiderskorps Ons Genoegen waar dominee Faber op staat (achterste rij rechts). De korpsleden hebben een instrument in hun hand, hij heeft zijn handen op zijn rug.

Muziekkorps Ons Genoegen in 1910
Petitionnementsactie
Het jaarverslag van 1910 van de SDAP-afdeling Marssum past op de achterkant van een lichtgroene briefkaart die naar het Dagelijks Bestuur in Amsterdam wordt gestuurd. De puntenlijst die de SDAP onder de afdelingen verspreidt om een beeld te krijgen van het aantal leden en de activiteiten, is verloren gegaan, schrijft de secretaris. De afdeling telt dertien leden.
De secretaris meldt het Dagelijks Bestuur dat de petitionnementactie in volle gang is en veel belooft. De actie betreft het Volkspetitionnement voor algemeen kiesrecht. Het zal nog zeven jaar duren voor het algemeen kiesrecht voor mannen wordt ingevoerd, op 12 december 1917. Voor vrouwen geldt vanaf dat moment passief stemrecht, ze mogen wel worden gekozen, maar niet zelf stemmen. In 1919 krijgen ook de vrouwen actief stemrecht.

Affiche Volkspetitionnement
Vlugschriften
Een jaar later, in 1911, is het jaarverslag al iets uitgebreider. Het is geschreven op een vel dat bijna een A4-formaat heeft. De secretaris schrijft dat de afdeling geen openbare vergaderingen heeft gehouden, maar wel vlugschriften verspreid en huisbezoek verricht. De afdeling geeft zelfs een eigen blad uit. Het aantal leden is inmiddels gestegen tot zestien.
In 1912 gebruikt de afdeling eindelijk het officiële SDAP-formulier. De afdeling heeft geen eigen bibliotheek, wel zijn er nu achttien leden waaronder acht vrouwen. Dat is een bijzondere score, ter vergelijking: de afdeling Menaldum klaagt in 1911: “Vrouwelijke leden kunnen we tot dus toe niet krijgen.”
Waarschijnlijk heeft de afdeling Marssum tot dan toe bij een van de leden vergaderd, maar in 1912 krijgen ze toestemming in de oude O.L. School te vergaderen. Het ledental groeit gestaag, in 1916 heeft de afdeling 42 leden waarvan er vier zijn gemobiliseerd. Op 31 juli 1914 waren 200.000 Nederlandse mannen opgeroepen zich te melden voor het leger: de mobilisatie. Het is niet zeker of Nederland betrokken raakt bij de Eerste Wereldoorlog, maar het leger moet paraat zijn.

Lees hier meer over dominee Faber.

Wordt vervolgd

17 mrt 2017

De afdeling Marssum van de SDAP (deel 1)

De voorganger van de PvdA was de SDAP, de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij. Omdat mijn pake Johannes Nieuwenhuis in zijn woonplaats Marssum vanaf de jaren twintig van de vorige eeuw actief was in deze partij, ging ik een paar jaar geleden in de archieven van het IISG op zoek naar de geschiedenis van de SDAP-afdeling Marssum. Marssum is het eerste dorp wat je tegenkomt als je van Leeuwarden naar Harlingen rijdt.
De SDAP wordt opgericht in augustus 1894, maar het duurt even voor de partij doorsijpelt in de vruchtbare Friese bodem van armoede en opstand. In Marssum ontkiemt in 1904 het eerste zaadje.
SDAP affiche uit 1919
Overleden afdeling
In het archief van het IISG vind ik de correspondentie die het Dagelijks Bestuur van de SDAP in Amsterdam ontving van de Marssumer sociaal-democraten. Op 28 maart 1904 is in Marssum een afdeling opgericht die zeven leden telt. Voorzitter is Kikstra, Van der Meulen is secretaris en De Vries penningmeester.
Het jaar daarop ontvangt het Dagelijks Bestuur een briefje uit Marssum: “Door deze bericht ik u dat de afdeeling Marsum van de SDAP niet meer bestaat. Door vertrek van de voorzitter en het bedanken van een paar leden is hij teniet gegaan. Namens de overleden afdeling, Van der Meulen, secretaris.”
Het Dagelijks Bestuur laat het er niet bij zitten en probeert het district Dokkum op te porren de oprichting van een afdeling in Marssum te bevorderen. De heer Smidt van het district Dokkum antwoordt dat het hem geen goed idee lijkt om met deze taak opgezadeld te worden “aangezien Marssum zeker op 5 uur afstand van Dokkum ligt.” In 1905 worden afstanden gemeten in de tijd die het kost om van het ene dorp naar het andere te lopen.
Afgezien van de afstand hoort Marssum helemaal niet bij het district Dokkum, maar bij Franeker, schrijft Smidt. Hij stelt voor dat Van der Heide in Engelum de taak op zich neemt. Van der Heide is provinciaal vertegenwoordiger en “bovendien komt Van der Heide daar nog al eens gauw, want het is onmiddellijk bij hem in de buurt.”

Marssum rond 1904
Een onverschillig dorpje
Van der Heide schrijft het Dagelijks Bestuur op 28 augustus een briefje. “Marssum ligt op een half uur van Engelum,” begint hij heel feitelijk om te vervolgen met een kenschets van het dorp en haar bewoners. “Het is een onverschillig dorpje waar men echter goed stemt.” Ook noemt hij het dorp half anarchistisch. Waarschijnlijk is de invloed van Domela Nieuwenhuis op de Marssummers nog steeds groot en zien ze weinig in de ideeën van de SDAP om de staat van binnenuit te hervormen. Van der Heide stelt voor eerst te kijken of er in het dorp een geschikte flinke kracht is, die een middelpunt kan zijn “anders is er niets te beginnen.”
Het lijkt erop dat die kracht een paar jaar later wordt gevonden, want op 30 maart 1908 bestaat er weer een afdeling Marssum, nu met tien leden. Op een roze velletje papier schrijft de secretaris het jaarverslag. Hij verontschuldigt zich voor de geringe lengte, de afdeling is immers nog maar net opgericht, na een openbare vergadering in maart. Achterop het roze velletje schrijft hij de namen van de tien leden. Het bestuur bestaat uit S. Bekius, J.L. Faber en J. Hiemstra.

Wordt vervolgd

11 mrt 2017

FAMILIEKRONIEK - Lautenbach

Uiteindelijk zijn we allemaal immigranten. Een naam in mijn stamboom met buitenlandse wortels is Lautenbach. De grootmoeder van mijn grootmoeder Saakje Hilverda-Braaksma heette Akke Lautenbach. Akke werd geboren in 1850 in Dronrijp en stierf in 1910 in Schingen, ze was dienstmeid en huishoudster.
Mocht ik nog eens een bekende Nederlander worden en uitgenodigd voor Verborgen Verleden, dan weet ik zeker dat we de Lautenbachlijn gaan volgen en dat ik met de cameraploeg naar Franeker ga, op zoek naar de universiteit en waarschijnlijk zelfs terechtkom op slot Dillenburg.

Slot Dillenburg
Predikanten
De overgrootvader van Akke is Willem Sybrens Lautenbach (1718-1802) die een boerderij heeft onder Dronrijp. Gaan we verder terug in de tijd, dan komen we uit bij drie generaties predikanten die allen hebben gestudeerd aan de universiteit van Franeker. De eerste is Wilhelmus Lautenbach (1597-1657), predikant te Hempens en Goutum. Diens zoon Jacobus studeerde filosofie in Franeker en was predikant te Jelsum en eigenaar van een sate ten oosten van Finkum. En ook Jacobus’ zoon Wilhelmus (1670-1717) studeerde in Franeker en was predikant.

Universiteit Franeker
Stamvader
Stamvader Jacob Lautenbach wordt in 1537 of 1538 geboren in Duitsland en komt in oktober 1584 in Leeuwarden te wonen. Hij is monstercommissaris en gerechtsholt van het Friese-Nassause Regiment en heeft banden met de graven van Nassau die op Dillenburg woonden, vooral met Willem Lodewijk, de stadhouder van Friesland. Hij heeft rechten gestudeerd en belijdt het Luthers geloof. (Een monstercommissaris inspecteert het krijgsvolk.)
In 1592 is Jacob onderwerp van een hevig conflict tussen Willem Lodewijk en Gedeputeerde Staten van Friesland. Onder meer over ketterij: het socianisme. Jacob verlaat Leeuwarden in 1605 en gaat naar vrijplaats Ameland. Hij is begraven in de Grote of Jacobijnerkerk in Leeuwarden.
De familie Lautenbach heeft een prachtig wapen met golvende dwarsbalken, die refereren aan een heldere beek. Ik vraag me af of dienstmeid Akke Lautenbach enig idee had van deze roemrijke geschiedenis.

Familiewapen Lautenbach

Dat ik dit allemaal weet is dankzij de Lautenbachwebsite. Het boek 'Lautenbach, vier eeuwen familiegeschiedenis' moet ik nog lezen.

24 nov 2016

FAMILIEKRONIEK - Voormoeder Wilhelmina ter Steeg

Iedere week kijk ik met veel plezier naar Verborgen Verleden en iedere week verlang ik naar een archivaris die ontdekt dat ik een nazaat ben van Willem van Oranje, steenrijke voorouders heb in Spanje of van Schotse adel ben. Maar ik ben geen bekende Nederlander, dus het onderzoek naar voorouders zal ik zelf moeten doen. Gelukkig bestaat de prachtige website Alle Friezen. Hulde aan al die vrijwilligers die dag in dag uit documenten inscannen en op deze website zetten. En gelukkig hebben verwanten al stambomen uitgeplozen en op internet gezet, zoals de stichting Families Van der Vegt.

Leeuwarder proletariaat
Mijn voorouders zijn Fries. Het zijn kleine boeren, timmerlieden, kleermakers, schuitejagers, turfschippers en Leeuwarder proletariaat. Niks adelijks te ontdekken.
Mijn volledige voornaam is Wilhelmina, ik ben vernoemd naar mijn beppe, zoals zij is vernoemd naar haar beppe en die weer is vernoemd naar haar beppe, enzovoort. Zo kom ik uit bij mijn voormoeder Wilhelmina ter Steeg, geboren in 1795 in Leeuwarden. Voor het gemak noem ik haar Wilhelmina I.

Jakobijnerkerk, Leeuwarden
Jakobijnerkerk
Wilhelmina Schollenberg wordt gedoopt in de Jakobijnerkerk die nog steeds aan het eind van de Grote Kerkstraat staat. Haar vader is Pieter Johannes, arbeider, haar moeder Hendrikje ter Steeg. Hendrikje sterft in mei 1800, drie weken na de geboorte van haar derde kind. Wilhelmina is dan nog maar vijf jaar oud. Haar vader hertrouwt in 1801 met een vrouw die Wilhelmina Schollenberg heet. In 1811 neemt Pieter Johannes de naam van zijn vrouw aan: Schollenberg. Mijn voormoeder noemt zich Ter Steeg, de achternaam van haar moeder.

Schoenmaker
Wilhelmina trouwt in 1816 met Tiete van der Vegt, die schoenmaker is in Leeuwarden, Huizum en Beetgum. Tiete is de zoon van Reinder van der Vegt, ook wel genoemd Rinder Barts, uit Leeuwarden en Nieske Rodenhuis, arbeidster te Leeuwarden.
Wilhelmina en Tiete krijgen zes kinderen waarvan er vier jong sterven. Ze wonen in Huizum als Tiete in 1828 op 32-jarige leeftijd sterft. Huizum was toen een dorp dat ten zuiden van Leeuwarden lag. In 1944 werd het door de Duitse bezetters bij Leeuwarden gevoegd.

Huizum in 1905, het bruggetje in de Dorpsstraat
Huizum
In 1829 komen we Wilhelmina tegen bij de volkstelling als Wilhelmina Pieters Ter Steeg. Ze woont dan met drie kinderen op nummer 44 a in Huizum, haar beroep is arbeidster. De namen van de kinderen: Reinder, Pieter en Hendrikje, die dan 1 jaar is. Hendrikje sterft een jaar later.
Huis nummer 44 is een van de huizen ten noordoosten van het bruggetje in de dorpsstraat van Huizum geweest. Traditioneel hebben hier altijd timmerlieden gewoond. Vermoedelijk is het het huis dat nu als adres Huizum Dorp 7c heeft. Het was destijds de arme buurt van Huizum. In huis 44 waren vier gezinnen ondergebracht.

Beetgum
Beetgum
Wilhelmina verlaat Huizum in 1838 en gaat in Beetgum wonen, een dorp ten noordwesten van Leeuwarden, iets meer dan twee uur lopen van Huizum.
Haar zoon Pieter is in 1825 in Beetgum geboren, dus ze moet er eerder hebben gewoond. Uit notariële actes maak ik op dat haar man Tiete er in 1826 een huis koopt voor 431 gulden en er begin 1828 een huis verkoopt voor 500 gulden.
Als haar zoon Reinder in 1842 trouwt is Wilhelmina breidster.
Wilhelmina overlijdt in 1855, ‘wonende onder Beetgum’, zoals in de overlijdensakte staat. Ze is 60 jaar geworden.


23 sep 2016

Bloemencorso Lippenhuizen

Op 17 september bezoek ik met mijn zussen de reünie van Lippenhuizen, het Friese dorp waar we van 1959 tot de zomer van 1968 woonden. Ter ere van de reünie wordt, na meer dan dertig jaar, een bloemencorso georganiseerd. Als we door de Buosterwyk lopen en voor de basisschool een corsowagen zien staan, steken we meteen onze neus tussen de bloemen. Hoe rook dat ook alweer?

De wagen van basisschool De Flecht
Paarden
Het bloemencorso in Lippenhuizen wordt voor de eerste keer georganiseerd in augustus 1954, om te vieren dat het Liphúster Feest voor de 75e keer plaatsvindt. Regen bederft de pret enigszins, maar het dorp is zo enthousiast dat een mooie traditie is geboren.
Op 26 augustus 1963 schrijft de Leeuwarder Courant: ‘Zonder chauvinistisch te zijn kunnen we rustig stellen, dat Lippenhuizen met zijn bloemencorso Eelde heeft overtroefd.’ Wat het bloemencorso van Lippenhuizen charmanter maakt dan dat van zijn Drentse broer: hier trekken paarden de wagens, in Eelde tractors. En, in Lippenhuizen zijn ‘het de kinderen die de équipage der wagens vormen.’

Floris ende Blancefloer
Blancefloer
In de jaren dat we in Lippenhuizen wonen, werkt mijn vader mee aan het maken van wagens en ook mijn moeder zal meegeholpen hebben met het prikken van de bloemen. Ik zit een paar keer op een bloemenwagen. In 1966 in een torentje als Blancefloer die verlangend moet kijken naar een jongen in een bloemenmand en in 1967, met een zusje en een vriendinnetje, als hippie bij een oud huisje. Het geeft een heel feestelijk gevoel in een geur van dahlia’s, asters en afrikaantjes langs dikke rijen mensen te rijden, vooral als de optocht ’s avonds nog een keer door het dorp trekt.

Hippies in 1967
Dahlia akkers
Het is ieder jaar weer afwachten of er voldoende bloemen zijn. De vereniging Liphúster Feest bezit in de jaren zestig drie grote dahlia akkers die een half miljoen bloemen moeten opbrengen. Soms mislukt dat, omdat door de kou de dahliaknollen zijn verrot. Er wordt dan wel geprobeerd om in Eelde of Frederiksoord of bij kwekers in het westen van het land bloemen te verkrijgen, maar ook dat is niet altijd mogelijk.
‘Deze zomer geen bloemencorso te Lippenhuizen’ staat in 1973 in de Leeuwarder Courant. De dorpstraat ligt eruit omdat er riolering wordt aangelegd en door de kou zijn veel dahliaknollen verloren gegaan. En in 1974 is Lippenhuizen corsomoe. Het is te duur geworden een bloemencorso te organiseren en het animo is uit het dorp verdwenen.


Maar nu, voor het feest 700 jaar Lippenhuizen, hebben vele enthousiastelingen hun schouders eronder gezet om het bloemencorso voor een keer te laten herleven en is het hele dorp uitgelopen om twaalf prachtige wagens te bewonderen. 

24 aug 2016

De Vonk, vormingscentrum in Noordwijkerhout

In mei van dit jaar bezochten we in Brussel een mooie Theo van Doesburg-tentoonstelling in museum Bozarts. In het onderdeel dat over Van Doesburgs samenwerking met architecten ging, zagen we dat hij de decoraties van vormingscentrum De Vonk in Noordwijkerhout had ontworpen, een gebouw van de architect J.J.P. Oud.
In 1972 gingen we met de derde klas van de mavo van de Burgemeester Walda Scholengemeenschap van Ameland op werkweek naar De Vonk. En mijn moeder had er na het behalen van haar mulodiploma enkele weken doorgebracht. Tijd voor een tocht naar Noordwijkerhout.

De Vonk in 2016
Werkweek
Het thema van de werkweek op de mavo was ‘De Stad’. We interviewden bewoners van de Merenwijk in Leiden en konden ons niet voorstellen dat dat mogelijk was, wonen in zo’n hoge flat. We bezochten Rotterdam, waar we tot ons afgrijzen geen kopje thee konden bestellen omdat het water te vies smaakte. Terug in De Vonk zaten we buiten op het terras en maakten maquettes van een ideale stad. ’s Avonds keken we naar ‘Easy Rider’ en dansten op ‘Born to be Wild’ van Steppenwolf. In Leiden zagen we ‘Jesus Christ Superstar’en alle meisjes stapten sniffend en met rode ogen de bus in die ons terugbracht naar De Vonk. Gedurende de werkweek mochten wij eilandkinderen even ruiken aan alle mooie, opwindende en lelijke dingen van de grote stad.

De Vonk in 1947, tweede van links mijn moeder
Ontwikkelingswerk
Mijn vader was leraar op de mavo op Ameland en ging mee met de werkweek. Mijn moeder, die hem anders nooit vergezelde op schoolreisjes, sloot zich dit keer ook aan. Voor mij natuurlijk niet leuk, mijn ouders mee op schoolreis, maar ik denk dat mijn moeder graag De Vonk weer eens terug wilde zien. Na haar mulo-examen in 1947 bracht ze er zes weken door.
De Vonk werd gesticht in 1918 als buitenhuis van het Leids Volkshuis, het werd ontworpen door architect J.J.P. Oud in samenwerking met de kunstenaars Theo van Doesburg en Harm Kamerlingh Onnes. Van Doesburg ontwierp de mozaïeken op de voorgevel en de vloer. 
Vanaf de jaren twintig tot 1960 bood De Vonk ontwikkelingswerk aan voor de ‘schoolvrije jeugd’, zowel fabrieks- als plattelandsmeisjes. Vanaf 1990 was het vijftien jaar een behandelcentrum van de stichting 40-45 voor getraumatiseerde vluchtelingen. Tussen 1960 en 1990 zal het een vormingscentrum zijn geweest.

De vloer van Theo van Doesburg
Mozaïeken vloer
Tegenwoordig zit er een kinderdagverblijf in en een gezondheidscentrum. De terrassen aan weerszijden zijn bij het gebouw betrokken en de ruimte rondom het gebouw is verdwenen. Maar als we bij de voordeur naar binnen gluren, zien we dat aan de gangen niet veel is veranderd. Net als mijn moeder in 1947 mogen de bezoekers van het gezondheidscentrum nog steeds over de mooie mozaïeken vloeren van Theo van Doesburg lopen.

17 mei 2016

Waar bleef het Rotterdamse puin?

Omdat we een paar dagen geleden het bombardement op Rotterdam herdachten, hierbij de blog die ik in september 2011 schreef voor Geschiedenislab.

Een paar dagen na het bombardement van 14 mei 1940 begint men in Rotterdam met man en macht het puin op te ruimen. Er worden duizenden arbeidskrachten gerekruteerd en ook werkelozen moeten zich melden om mee te werken. De Duitsers vorderen vrachtwagens, kruiwagens en gereedschap als schoppen en houwelen. Wekenlang wordt er hard gewerkt om het puin af te voeren.

De Schie wordt gedempt met puin.
Dempen
Wat gebeurt er met de brokstukken die eens de huizen en straten van het Rotterdamse centrum vormden? Allereerst komt het terecht in de kanalen, singels en havens die toch al gedempt zouden worden, zoals Blaak, de Schie, de Kolk, de Schiedamsesingel en de Noorderhavenkade. Een bekend grapje is: Eerst lag de Schie in Rotterdam, nu ligt Rotterdam in de Schie. Ook wordt er puin in de Kralingse Plas gedumpt waardoor er eilandjes ontstaan in de zuidelijke kant van de plas.

Puin wordt gestort in de Kralingse Plas. (foto: Rotterdamsch Nieuwsblad)
Vliegveld
Dat het puin ook wordt afgevoerd naar plekken elders in Nederland wist ik niet, tot ik een boek over de oorlog in Menaldumadeel las. Menaldumadeel is de Friese gemeente waar mijn grootouders en ouders opgroeiden. Het ligt ten noorden van de A31 die Leeuwarden verbindt met de Afsluitdijk. In dit boek wordt beschreven hoe de Duitsers meteen na de capitulatie van het vliegveld bij Leeuwarden een echte luchthaven maken. Als de bezetters vragen om de inzet van werkeloze arbeidskrachten roept de burgemeester van Leeuwarden alle werkelozen op om zich met een schop te melden op het vliegveld. Wie niet verschijnt raakt zijn uitkering kwijt. De werklozen melden zich massaal. Zeker honderd autobussen vervoeren dagelijks arbeiders uit alle delen van Friesland naar het terrein. Vrachtauto’s, treinen en schepen bezorgen tienduizenden tonnen zand en puin. Ook puin uit Rotterdam wordt met schepen naar Ritsumazijl gebracht en op het terrein gestort.

Dijk
Waar ligt het Rotterdamse puin nog meer? Een zoektochtje op internet leert me dat er enkele wijken zijn opgebouwd met Rotterdams puin, zoals Wielwaal in Dordrecht en Kleinpolder in Overschie. En ik kom het verhaal tegen van de Rotterdamse Hoek. In de dijk van de toen in aanleg zijnde Noordoostpolder werd ook puin uit Rotterdam gestort. Deze plaats, waar de dijk een hoek maakt, kreeg van de polderwerkers de naam Rotterdamse Hoek. Het is een beruchte plek in de scheepvaart, er zijn al veel schepen in moeilijkheden geraakt. Volgens de website van de VVV Noordoostpolder is de Rotterdamse Hoek het laatste ‘schepenkerkhof’ van de Nederlandse wateren.

Vuurtoren bij de Rotterdamse Hoek.
Reacties
Enkele reacties naar aanleiding van dit blog:
Rien Wols: In Waspik, Noord-Brabant, is er een Lourdesgrot van gebouwd. Zie http://www.bhic.nl/index.php?id=10702
Mieke: Ik heb gehoord dat er in het Limburgse Oirsbeek ook puin gestort is. Heb er op een heuvel gestaan. Weet niet waarom het daar ligt.

Ken je ook een verhaal over het Rotterdamse puin? Laat het me weten.