6 dec 2015

Slavische ringwalburg in Groβ Raden

Tijdens onze schrijfretraite in augustus in Werkstatt Wendorf in de Duitse deelstaat Mecklenburg-Vorpommern maakten we iedere dag een wandeling. Beweging is immers goed voor de geest, en het landschap rondom Wendorf glooit vriendelijk. De zandpaden leiden naar bossen, kleine meren of dwalen door graanvelden.

Wandelen bij Wendorf
Sinds kort staan in Wendorf informatiebordjes die iets vertellen over de geschiedenis van de omgeving. Op één van onze wandelingen vinden we bij een weiland een bordje dat ons vertelt dat verderop de contouren van een Slavische ringwalburg uit de tiende eeuw na Christus te zien zijn. We turen naar alle uithoeken van het weiland, maar zien geen aanwijzingen van de plaats waar de burg moet hebben gestaan.
Gelukkig weet Ton Matton van Werkstatt Wendorf dat 25 kilometer verderop, in Groβ Raden, een openluchtmuseum is waar we een dergelijke burg kunnen zien.

Vanaf de parkeerplaats in het dorp is het nog ongeveer twintig minuten lopen naar het museum. Het archeologisch museum zelf laten we links liggen, we zijn alleen geïnteresseerd in de ringwalburg. Langs het pad dat van het museumgebouw naar het openluchtmuseum loopt, zien we grote inkepingen in de heuvel. Hier hebben vroegere bewoners zand afgegraven om hoge wallen op te werpen.

Huis van leem
Het Archäologisches Freilichtmuseum Groβ Raden is geheel gewijd aan de Slavische cultuur. Er is een dorp nagebouwd, met lemen huisjes met rieten daken. In de huisjes kunnen we zien hoe de Slaven leefden.
Het mooiste van het museum is de gereconstrueerde ringwalburg, een ronde hoge wal, bovenop versterkt met palen. Binnen de wallen is geen bebouwing, maar in de negende en tiende eeuw stonden er huisjes. Dreigde er gevaar, dan trokken de dorpsbewoners zich hier terug.
Op maquettes zien we dat de ringwalburg in vroeger tijden werd omgeven door water.
De ringwalburg is waarschijnlijk tussen de zesde en negende eeuw in centraal Europa geïntroduceerd door binnenvallende Slavische volkeren. Ook in een aantal Nederlandse plaatsen is de ronde vorm van de ringwalburg terug te vinden, zoals in Souburg en Middelburg.

De ringwalburg
Het Archäologisches Freilichtmuseum werd in 1987 geopend, nadat tussen 1973 en 1980 opgravingen hadden plaatsgevonden. Je kunt het museum bezoeken van april t/m oktober op ma. t/m zo., 10.00 tot 17.30 uur; van november t/m maart op di. t/m zo., 11.00 tot 16.30 uur.
Hier vind je de website van het museum.

Binnenkant ringwalburg

29 nov 2015

De verhalen van een landschap

Tim Robinson bracht West-Ierland in kaart

Ieder landschap is verbonden met de geschiedenis van zijn bewoners. De mensen gaven namen aan de nederzettingen die ze vormden, aan de paden die hun dorpen met andere dorpen verbond, aan de rivieren en de meren, aan de plek waar hun vee graasde, aan de heuvel waar ze de galg oprichtten. Het landschap is nauw verbonden met al deze verhalen. Een schrijver en cartograaf die het op zich heeft genomen alle verhalen over het landschap uit zijn omgeving minutieus te verzamelen is de Engelse schrijver Tim Robinson (1935) die in 1972 van Londen verhuisde naar een van de Aran Eilanden aan de Ierse westkust.
Dit verhaal verscheen eerder op de blog van Geschiedenislab.

Roundstone
In de eerste week van maart 2013 verbleef ik een week met een groep schrijfcursisten inLetterdyfe House in het Ierse dorpje Roundstone, in het district Connemara. Organisator van de schrijfreis en mede-schrijfdocent Henk Weltevreden had een ontmoeting gearrangeerd met Tim Robinson die sinds 1984 met zijn vrouw Mairead in een geel huis in Roundstone woont, direct aan de baai. Robinson vertelde ons over zijn werk en maakte met ons een wandeling over het eiland Inishnee in Roundstone Bay.

Het huis van Tim Robinson
Aran-eilanden
Tim Robinson (1935) studeerde wiskunde in Cambridge en doceerde dit vak in Istanbul, Wenen en Londen. Toen hij in 1972 verhuisde naar de Aran-eilanden dacht hij hier de rust te vinden om een roman te schrijven. Maar in plaats van rustig aan een bureau te gaan zitten schrijven, maakte hij iedere dag lange wandelingen over het eiland. Na een paar weken vroeg de eigenaresse van het plaatselijke postkantoor hem of hij niet een kaart van het eiland kon maken. En met die vraag vond Tim Robinson zijn bestemming. Hij bracht de Aran-eilanden minutieus in kaart en ging op zoek naar de herkomst van de namen van iedere plek. De verhalen kregen een plaats in het boek ‘Stones of Aran’ dat uit twee delen bestaat: ‘Pilgrimage’(1986) en ‘Labyrinth’ (1995). Het is het Nederlands vertaald als ‘De Aran-eilanden’.
Nadat hij de Aran Islands in kaart had gebracht, verhuisde Tim Robinson naar Roundstone en ging op dezelfde manier aan de slag met Connemara en The Burren. Over Connemara schreef hij drie boeken, waarvan het eerste in het Nederlands is vertaald door Gerrit-Jan Zwier als ‘Connemara. Luisterend naar de wind’.

Tim Robinson (links)
Mistflarden
In ‘Connemara. Luisterend naar de wind’ neemt Robinson ons mee op zijn wandelingen rondom Roundstone. Hij vertelt over de melkwei die vroeger hoog op de heuvel lag, waar het vee ’s zomers naartoe werd gebracht en waar ’s avonds werd gedanst. Hij vertelt over de plekken waar jongens en meisjes elkaar stiekem ontmoeten, hij vertelt over de graven uit de hongertijd. De informatie heeft hij verzameld door alle ouderen in de omgeving te bevragen naar de verhalen en liederen die zij weer van hun ouders hebben gehoord. Zelf schrijft hij: ‘De overleveringen over het veen die ik van mensen in Roundstone hoor, […] bestaan uit verhalen die als mistflarden over Roundstone Bog heen drijven, die zich nu eens vermengen en daardoor niet duidelijk te zien zijn, zich dan weer een poosje oplossen in de ijle lucht en dan als uit het niets weer zichtbaar worden.’

Meelopen
‘Connemara. Luisterend naar de wind’ is niet een boek dat je in één ruk uitleest. Het liefst zou je met Robinson meelopen over de oude paden rondom Roundstone en met hem meekijken en luisteren naar de verhalen. In de poëtische documentaire ‘Tim Robinson: Connemara’ die filmmaker Pat Collins met en over Robinson maakte, doen we dat en verwonderen we ons samen met hem over de sprookjesachtige schoonheid van West-Ierland.

Wandelen over Inishnee
Je zou willen dat iedere streek zijn eigen Tim Robinson heeft die geduldig het landschap verkent en alle verhalen die hier ooit zijn verteld verzamelt en ze vervolgens zorgvuldig opschrijft. Omdat, zoals Cees Nooteboom schrijft op de achterkant van het boek, ‘hij daardoor de vergankelijkheid van tenminste één plek op aarde heeft opgeheven.’

20 nov 2015

FAMILIEKRONIEK - Zuivelfabriek De Eendracht in Marssum

Nu de rondweg rond Leeuwarden gereed is, hoeven we niet meer dwars door de stad als we naar Ameland gaan. Vlak voor Marssum nemen we de afslag naar het noorden en rijden langs en rood bakstenen gebouw met ernaast en ervoor tientallen geparkeerde auto’s, occasions van diverse pluimage. Autobedrijf Venema staat op in grote blauwe letters op de voorgevel van de hal naast het bakstenen gebouw.
Dit bakstenen gebouw maakte van 1897 tot 1965 deel uit van de coöperatieve zuivelfabriek De Eendracht. Hier werkte mijn pake Johannes Nieuwenhuis vanaf 1921 tot de fabriek moest sluiten in 1965. In 1948 werd hij eerste kaasmaker en betrok met zijn gezin één van de twee huizen aan de westkant van de fabriek.

Autobedrijf Venema
Schoorsteenpijp
Als kind vond ik het huis van mijn grootouders bij de zuivelfabriek groot, maar op foto’s zie ik dat het helemaal niet zo hoog was. De slaapkamers op de tweede verdieping lagen al onder het schuine dak. Wel was het huis diep, met voor een huiskamer en achter een ruime keuken waar ook de eettafel stond. Vlak achter het huis rees de reusachtige schoorsteenpijp van rood baksteen van de zuivelfabriek op. Kilometers leek hij de lucht in te gaan tot hij de wolken bijna aanraakte. Keek ik langs de schoorsteenpijp omhoog naar de wolken, dan leek het alsof de schoorsteenpijp bewoog en de wolken stil stonden. Duizelig werd ik ervan. De schoorsteenpijp is al lang geleden afgebroken.
Ook de zuivelfabriek zelf was fascinerend. Niet dat ik er ooit in ben geweest met pake, maar als ik door de grote ramen aan de voorkant naar de grote liggende zwarte ketels met klokken en cijfers erop keek, was ik diep onder de indruk.

De twee huizen aan de westkant van de fabriek. In het linker woonden mijn pake en beppe.
Eerste Nederlandse zuivelfabriek
In 1879 stichtte Mindert Bokma de Boer uit Leeuwarden in Veenwouden, na een studiereis door Denemarken, de eerste Nederlandse zuivelfabriek. Deze fabriek, vernoemd naar Freia, de Noorse godin van vruchtbaarheid, staat tegenwoordig in het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem.
Friesland werd de bakermat van de fabrieksmatige zuivelbereiding. Eerst waren de zuivelfabrieken particulier initiatief, maar al snel begonnen de boeren zich te roeren. Uit onvrede met de prijs die de Leeuwarder Melkinrichting hen bood, richtte een groep boeren in 1886 in Warga de eerste coöperatieve zuivelfabriek op. Dit voorbeeld vond enthousiaste navolging. In 1895 waren er 78 coöperatieve fabrieken, vijf jaar later waren het er al 127. De coöperatie hield in dat de oprichters zowel eigenaar van de zuivelonderneming waren, en de grondstof melk leverden en naar inbreng, samen met de niet melk leverende aandeelhouders, winst en verlies deelden.

Zuivelfabriek Freia in Veenwouden
Oprichting De Eendracht
Ook de boeren rondom Marssum vonden het tijd worden dat zij meegingen met de ontwikkelingen. Op 21 december 1896 stond een oproep in de Leeuwarder krant: ‘Belangstellenden in de oprichting eener coöperatieve ZUIVELFABRIEK te Marssum worden uitgenodigd ter Vergadering op Woensdag 23 Dec. 1896, des nam. 3 uur, bij S.J. Kuperus te Marssum. Trouwen opkomst is gewenscht. De voorloopige commissie.’
Het café van Sjoerd Jans Kuperus, tegenwoordig Het Grauwe Paard, stond op de viersprong, het kruispunt van de Ljouwerterdyk en de Bitgumerdyk. Logement Kuperus was er voor de hoge heren. Het café aan de andere kant van de straat, café Hovinga, bood plaats aan de arbeiders.
Het lukte de aanwezige veeboeren niet om eind december tot ‘eenstemmigheid’ te komen en men riep een nieuwe vergadering uit. Deze werd gehouden ten huize van M. Prins in Menaldumadeel. De krant schreef: ‘met dit resultaat, dat het definitief besluit viel, om onder Marssum eene fabriek te stichten, zodat weldra in onze gemeente de vierde fabriek zal verrijzen.’
Op 17 januari werden de statuten vastgesteld en het bestuur gekozen: dhr. Veeman uit Marssum werd president. De andere bestuursleden waren M. Dijkstra uit Menaldum en K.N. Kuperus uit Ritsumazijl. Architect R. Feikema uit Dronrijp werd belast met het toezicht op de bouw. De stichting van De Eendracht werd financieel gesteund door Popta, met 70.000 gulden. Popta was de eigenaar van het Poptaslot in Marssum.

De Eendracht (uit het fotoalbum van mijn pake en beppe)
Woningen voor de zuivelarbeiders 
Er werd niet alleen een fabriek gebouwd in Marssum, ook werden er woningen gebouwd voor de zuivelarbeiders. Twee direct naast de fabriek, ten westen ervan, en vier in het dorp zelf, aan de Rypsterdyk. Eén van deze huizen betrokken mijn grootouders toen ze in 1929 trouwden. Hier werden hun drie kinderen geboren.

6 nov 2015

FAMILIEKRONIEK - Schippersbloed

'Er stroomt schippersbloed door mijn aderen,’ zei mijn beppe wel eens. En dan vertelde ze over ooms en neven die op skûtsjes over rivieren en kanalen voeren. Destijds besteedde ik niet zoveel aandacht aan haar verhalen, maar toen ik me verdiepte in haar familiegeschiedenis, voelde ook ik ineens schippersbloed bruisen.

Schippersgeslacht
De grootmoeder van mijn beppe heette Minke Wijkstra en kwam uit een echt schippersgeslacht. Haar grootvader Evert Eits Wijkstra was al schipper, evenals haar vader Jouke Everts. En haar broers Jan, Klaas en Evert werden ook allen schipper.
In 1871 trouwde Minke met Jan Sjoukes de Boer. Hij was de zoon van een arbeider, maar leerde het vak van schippersknecht in Harlingen. Op het skûtsje van Minke en Jan werden twaalf kinderen geboren. Antje, nummer vijf, was mijn overgrootmoeder. Zodra Antjes broers oud genoeg waren, werden ze knecht bij een andere schipper. 

Schepen in haven Marssum
Time is Money
In het boekje ‘Marssum in oude ansichten’ (1991) staat een foto van een paar schepen in het haventje van Marssum. Het scheepje links is van Sjouke de Boer en heet Time is Money. Het skûtsje rechts is van Evert en Eit Wijkstra. De foto is van 1934. Sjouke is waarschijnlijk een broer van mijn overgrootmoeder Antje en ook Evert en Eit moeten familie zijn.

Klaas Wijkstra (met hoed) op De Onderneming, de houten voorganger van de Hoop op Zegen
Hoop op Zegen
Eind negentiende eeuw werden de meeste houten skûtsjes vervangen door ijzeren exemplaren. Klaas Wijkstra, broer van mijn betovergrootmoeder Minke, liet in 1906 een ijzeren roefschip bouwen, de Hoop op Zegen. Toen dit schip geen dienst meer hoefde te doen als vrachtschip lag het lange tijd als woonschip in Amsterdam. In 2007 werd het schip gekocht door Erik Jonker uit Terhorne die het geschikt maakte voor zeilwedstrijden. Hij noemde het opgeknapte skûtsje De Jonge Rein, naar zijn vader, de marathonschaatser Rein Jonker, die in 1986 tweede werd op de Elfstedentocht. Het verhaal over de Hoop op Zegen vond ik hier. De foto hierboven komt ook van deze website.

1 nov 2015

Hugo de Groot in Rostock

Omdat ik gisteren Delft bezocht, hieronder het artikel dat ik in 2012 voor de blog van Geschiedenislab schreef over waarom Hugo de Groot stierf in Rostock. 

Een paar jaar geleden schreef ik in het kader van het project Geschiedenis in levende lijve een monoloog voor Hugo de Groot. De monoloog speelt zich af op het moment dat De Groot besluit Zweden te verlaten en zich afvraagt waar hij naartoe zal gaan. Bijna drie weken later overlijdt hij in in het Duitse Rostock. Omdat ik deze zomer Rostock bezoek, wil ik natuurlijk graag de plaquette zien die op de muur hangt van het pand waar De Groot is gestorven.

Hotel Sonne
De jongen achter de balie van de Tourist Information op de Universitätsplatz heeft nog nooit van Hugo Grotius gehoord, maar vindt na enig zoeken op internet de juiste straat voor me: Groβe Wasserstraβe. Op de hoek van deze straat en de Neue Markt staat een nieuw gebouw, Hotel Sonne, en op de muur van dit hotel hangt de plaquette. Met daaronder de uitleg dat op deze plek, tot ze werden vernield in de Tweede Wereldoorlog, elf mooie panden stonden waaronder enkele herbergen en brouwerijen. Hugo Grotius, de Nederlandse grondlegger van internationale jurisprudentie stierf in een van hen.
Maar waarom stierf onze grote rechtsgeleerde in deze stad aan de Oostzee?

Rostock. Geheel rechts - geel pand met trapgevel - Hotel Sonne
Banneling
Op 11 augustus 1645 vertrekt Hugo de Groot uit Stockholm. Hij is tien jaar lang in Parijs ambassadeur voor Zweden geweest, maar vindt het genoeg. De Zweedse koningin Christina probeert hem over te halen te blijven. Hij weigert, het Zweedse klimaat bevalt hem helemaal niet. Het liefst wil De Groot terug naar zijn vaderland, maar daar is hij niet welkom. Hij is en blijft een banneling.
Het reisdoel van Hugo de Groot is niet bekend. Wil hij zich bij zijn vrouw Maria voegen die in Spa verblijft of heeft hij besloten toch maar terug te keren naar Parijs? Of is hij met een geheime Zweedse missie op weg naar Münster, zoals Vondel suggereert in een lijkdicht?
Dankzij de brieven die zijn bediende Willem van Crommon over deze reis aan zijn vader schrijft, weten we vrij nauwkeurig wat er tijdens de reis is gebeurd.

Plaquette op Hotel Sonne
Storm
Op 12 augustus verlaat de ertsvaarder waarop De Groot en zijn gevolg zich bevinden de Zweedse haven Dalarö. De volgende dag komt het eiland Öland in zicht, maar het weer verslechtert en in de nacht van 14 op 15 augustus steekt er een storm op die het schip stevig toetakelt. Met één overgebleven mast drijft het schip voor de wind verder naar het oosten. Twee dagen later verhevigt de storm, maar gelukkig is er land in zicht. Het schip bevindt zich dan vlakbij de Poolse stad Łeba. ’s Ochtends waarschuwt de bemanning met een kanonschot de plaatselijke bevolking en als de wind kalmeert worden de opvarenden met een sloep aan land gebracht. Hugo de Groot besluit meteen door te reizen naar Lübeck, een tocht van zeshonderd kilometer. Op 22 augustus bereiken hij en zes dienaren Stettin en op 26 augustus komen ze aan in Rostock, waar hij een kamer betrekt op de bovenverdieping van het pension van Catherina Balemans, de weduwe van een wijnkoper. Hij is totaal uitgeput van de reis.

Terug naar Delft
De volgende dag wordt er een chirurgijn ontboden, deze vraagt er nog een arts bij, Joachim Stockman, hoogleraar aan de plaatselijke universiteit. Stockman vindt de situatie van de zieke niet ernstig, ’t was maar een vermoeytheyt. Maar de volgende dag geeft hij de patiënt geen enkele kans meer en adviseert een predikant te waarschuwen. Tegen middernacht blaast de ongelukkige rechtsgeleerde zijn laatste adem uit. Pensionhoudster Catherina Balemans zit naast hem.
Pas nu hij dood is, mag Hugo de Groot terug naar zijn geboortestad Delft. Zijn gebalsemde lichaam wordt op 3 oktober bijgezet in de Nieuwe Kerk.

Standbeeld Hugo de Groot voor de Nieuwe Kerk in Delft
Literatuur
Henk Nellen, ‘Hugo de Groot. Een leven in strijd om de vrede, 1583-1645’ (Balans, 2007)

26 okt 2015

Slapen op een strozak

Afgelopen weekend sliep ik twee nachten in een huisje op camping Rotterdam aan zee in Hoek van Holland. Daarom hieronder het artikel dat ik twee jaar geleden schreef voor de blog van Geschiedenislab.

Tijdens onze vakantie deze zomer in Portugal kwamen we terecht op de camping van São Jacinto, op het schiereiland dat voor de kust van Aveiro ligt. Het meest opvallend van deze eenvoudige camping waren zes pastelkleurige huisjes die meteen associaties opriepen met de jaren vijftig en zestig. De beheerder van de camping vertelde ons dat de camping zestig jaar oud is en de huisjes vijftig jaar.

Camping van São Jacinto
Oudste camping
Omdat mijn grootouders niet kampeerden en mijn ouders pas na de oorlog oud genoeg waren om er zelfstandig op uit te trekken, heb ik altijd gedacht dat recreatief kamperen pas ontstond aan het eind van de jaren veertig, maar het blijkt dat deze vorm van vakantie vieren al een eeuw oud is. In Bakkum gaf de Duitse prinses Von Wied in 1914 toestemming aan een aantal mensen om hun tent op te slaan op haar landgoed. In 1920 verleenden de Provinciale Staten van Noord-Holland, die het domein inmiddels beheerden, een vergunning aan elf dames en negen heren om enige tijd op het landgoed te kamperen. Camping Bakkum claimt de oudste camping van ons land te zijn.


Rotterdam aan zee
Een heel mooi inkijkje in de vroege jaren van het kamperen geeft het onlangs uitgekomen boek ‘De houten kampeerstad van Rotterdam aan zee’, waarin Mario Bruijns de geschiedenis van de camping van Hoek van Holland beschrijft. Deze begint in april 1921 als de gemeente Rotterdam de exploitatie van het strand van Hoek van Holland op zich neemt. Mensen mogen een tentje opzetten in het duingebied bij het Stille strand, mits ze een vergunning aanvragen bij de politie. De kampeerders krijgen een plaatsje toegewezen door een agent. Een deel van het terrein - van een camping wordt nog niet gesproken - ligt op het weiland van boer Tukker, zodat er regelmatig een grazende koe ronddwaalt tussen de tenten. Het terrein wordt daarom afgezet met prikkeldraad. Twee keer per week komt een agent langs met water dat de kampeerders tegen betaling af kunnen nemen.
In 1924 gaat het goed met de economie en groeit het aantal Rotterdammers dat een tent opzet in Hoek van Holland. Het terrein wordt steeds meer een echt kampeerterrein met waterkranen, toiletten èn een politiepost. In augustus 1925 staan er al 350 tenten. De meeste kampeerders naaien hun tenten zelf van watervast linnen. Ze slapen op strozakken of op los stro met een deken erover.
Al snel verschijnen de eerste houten huisjes en tegenwoordig is de camping inderdaad een houten stad aan zee.


‘De houten kampeerstad van Rotterdam aan zee’ staat vol prachtige kampeerfoto’s, is een uitgave van uitgeverij Ad. Donker en kost € 19,50

21 okt 2015

Duurzaam bos in Brazilië

Onze vensterbanken in de jaren zeventig, daar moest ik steeds aan denken tijdens wandelingen door de Braziliaanse jungle. De huiskamerplanten die toen bij ons in de mode waren, groeien en bloeien hier uitbundig in het wild. De ficus, de yucca, de parapluplant, je zou er bijna nostalgisch van worden. Mijn oma had een grote bromelia in een koperen sierpot voor het raam staan. In Brazilië groeien de bromelia’s op bomen.

Bromelia op boom
Mata Atlântica
Voor de Europeanen bezit namen van het land was Brazilië één en al regenwoud. Van dit Atlantische oerbos is nu nog slechts zeven procent over. En dat is ernstig, want veel plantensoorten komen alleen in de Mata Atlântica voor. Gelukkig groeit in Brazilië het besef dat er iets aan de ongebreidelde kap moet gebeuren en zijn her en der projecten opgezet om het regenwoud te beschermen en te herbeplanten.
Ook in Praia do Forte (Bahia), dat zich erop voorstaat een broedplaats voor ecotoerisme te zijn, wordt het een en ander ondernomen om de Mata Atlântica te behouden. Initiator van deze projecten was Wilhelm Hermann Klaus Peters, een ondernemer van Duitse afkomst die zich hier in de jaren zeventig vestigde.

Bananenplanten
Kwekerij
Ten zuidwesten van Praia do Forte ligt de Reserva Ecológica da Sapiranga, een terrein van zeshonderd hectare waar het regenwoud wordt beschermd. Er is zelfs een bescheiden project opgezet, het Projeto Floresta Sustentável, waar oorspronkelijke planten worden gekweekt die gratis door omwonenden kunnen worden afgehaald, zoals cacaoplanten, cassave, tamarinde en koffieplanten. Op die manier tracht men de biodiversiteit in stand te houden en te vergroten. Dat is nodig, want de lokale bevolking heeft het liefst alleen bananenbomen en mangobomen in de tuin.
De ecotoerist kan de kwekerij bezoeken en via verschillende trails kennismaken met de flora en fauna van de Reserva. Maar ook een heel andere soort toerist komt hier aan zijn trekken. Knetterende quads verstoren regelmatig de rust in de jungle. Er zitten nog wel meer smetjes op de gepropageerde duurzaamheid. In de Reserva ligt een klein dorpje, Tapera. De vuilnisauto’s van Praia do Forte komen niet naar Tapera, zodat de bewoners hun vuilnis zelf maar verbranden.

Viveiro de mudas (kwekerij)
Parque Klaus Peters
In 2013 werd Wilhelm Hermann Klaus Peters, de grondlegger van het ecotoerisme in Praia do Forte, geëerd met een eigen park. In het Parque Klaus Peters wordt de oorspronkelijke kustbegroeiing beschermd. Je bereikt het park via een houten brug over de lagune. Het is hier een duingebied, de bomen en struiken zijn lager en ruiger dan in de Reserva da Sapiranga.
Door het park loopt een breed pad dat drie en een halve kilometer lang is en geplaveid met grijze stenen.
Als buitenlandse ecotoerist kom je hier aan je trekken. Langs het pad staan verschillende borden die informatie geven - ook Engelstalig - over de planten, de vogels, de vlinders en andere dieren die hier leven. En, je hoeft je niet te ergeren aan uitlaatgassen en ronkende motoren, hier mag alleen worden gewandeld en gefietst.
Bij de ingang van het park staat een bord met informatie over Wilhelm Hermann Klaus Peters, de man die zijn droom waarmaakte en het vissersplaatsje Praia do Forte omtoverde tot een duurzaam tropisch paradijs. “Usufruir sem destruir”, staat er als motto bij. Genieten zonder vernietigen. Zo is dat, want de wilde planten in de jungle zijn veel mooier dan de gedomesticeerde op onze vensterbanken.

De lagune